Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

keper - (weefpatroon waarbij de inslag verspringt; hiermee geweven stof, twill)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

keper zn. ‘weefpatroon waarbij de inslag verspringt; hiermee geweven stof, twill’
Mnl. keper ‘dakspant, dakrib’ in tgasthus te deckene met tieghelen ende kepere ‘het gasthuis te bedekken met dakpannen en dakspanten’ [1299; CG I]; vnnl. keper ‘heraldisch symbool’ in lakenen ... met de drie kepers [1545; WNT], ‘streep in een weefsel’ [1695; Van den Ende]; nnl. gekeperd lind ‘lint met kruisstrepen’ [1701; Marin NF], ik bekeek hem eens op de keper ‘ik beschouwde hem eens nauwlettend’ [1785; WNT].
Ontleend aan vulgair Latijn *caprione ‘dakspant, stutbalk’, afleiding van *capreus, nevenvorm van klassiek Latijn caper ‘bok’, zie → capriool.
Oorspr. en nog in het BN is keper een bouwkundige term voor de schuine dakbalken, daksparren waarop de horizontale latten werden gespijkerd waarop de pannen rustten. Naar analogie hiervan kreeg het woord in de heraldiek de betekenis ‘twee banden, die in een spitse naar boven staande hoek bij elkaar komen (als omgekeerde V)’. In het Nederlands ontstond de toegespitste betekenis ‘dwarsstreep in een weefsel’, algemener ‘bepaald patroon in een weefsel’. Zo'n streep of patroon ontstond door bij het weven de inslagdraad over of onder meer dan één kettingdraad te laten gaan, en de plaats daarvan bij elke inslag te laten verspringen. In deze betekenis is het woord uit het Nederlands ontleend in vele andere talen, bijv. Nederduits keper, Hoogduits Köper [16e eeuw; Kluge], Zweeds kypert, Noors kiper, Russisch kípor.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

keper [visgraat (in weefsel)] {1299 in de betekenis ‘dakspant, zolderrib, twee banden in de vorm van een half open passer (in de heraldiek)’; de betekenis ‘visgraat in weefsel’ 1717} < latijn caper [bok]. Het visgraatpatroon herinnert aan de kruiswijs geplaatste dakspanten, die als twee bokken tegen elkaar opstaan. De lat. vorm capreolus (verkleiningsvorm van caper) [gems, schoorbalk] vinden we terug in chevrons, capriool.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

keper znw. m. ‘rib van een kapgestel, dakspar, bepaald soort weefpatroon’, mnl. kēper ‘dakspant, zolderrib’ (heraldische term: ‘twee platte banden in de vorm van een winkelhaak’), mnd. kēpere m. ‘opperbalk, steunbalk, ramwerktuig’, kēper ‘weefterm’, mhd. kepfer (nhd. kämpfer’) ‘balk, steunbalk’. — Let men op woorden als fra. chēvre ‘hijskraan’ en chevron ‘dakspar’, dan lijkt afl. van lat. caper ‘bok’ mogelijk. — > russ. kíper, kípor vgl. R. v. d. Meulen, Verh. AW Amsterdam 66, 2 (1959), 44.

Men kan ook denken aan een afl. van mnl. kip, onfrank. kip ‘voetboei’, os. kip ‘balk’, ohd. chiffa, chipfa ‘humerulus’, oe. cipp ‘balk’ die < lat. cippus ‘paal’ stammen.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

keper znw. Met overdr. bet. = mnl. kēper m. “dakspar, zolderrib”, ook al als heraldische term = “twee platte banden in den vorm van een winkelhaak”. = mhd. kepfer, nhd. vervormd tot kämpfer m. “balk (of ander voorwerp) tot steun”, mnd. kēpere m. “opperbalk, balk tot steun, werktuig om te rammen”, kēper “keper” (weversterm). Wsch. ontl. uit een rom. afl. van lat. caper “bok”; vgl. voor de bet. fr. chèvre “hijschkraan”, chevron “dakspar” en ndl. bok als naam van werktuigen. Een ander woord is mnl., onfr. kip (pp), gloss. bern. kep “voetboei”, ohd. chiffa, chipfa v. “humerulus”, os. kip “stipes”, ags. cipp m. “balk, stok, hout waarin de ploegschaar zit, weversboom”. Deze zijn uit lat. cippus “paal” ontleend; zie kip I.

[Aanvullingen en Verbeteringen] keper. Rom. oorsprong wordt bevestigd door spa. cabrio, alb. k’epɛr, kymr. ceibr-en “dakspar”, okorn. keber “tignum”, uit denzelfden grondvorm (*capreus) als keper. Ook cippus in rom. en kelt. talen: mier. cepp “blok”, kymr. cyff “stock, stem, stump, bloc”.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

keper v., Mnl. id.. gelijk Hgd. id., Fr. chevron, Sp. cabrio, We.. ceibren, uit een Rom. afleid. van Lat. caper = bok + Hgd. haber(geisz), Ags. hæfer, On. hafr. Was eerst een term der bouwkunst = balk, daksparren; ging van daar in de wapenkunde en de weverij over (z. kapriool & kip 4).

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

ke’per (de, -s), hoekkeper, d.i. een uitspringende hoek gevormd door twee hellende dakvlakken. - Etym.: AN k. = rib (balk) van een kapgestel. - Zie ook: kiel*.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

keper (Zuid-Nederlands) ‘dakspar’ (Latijn caper)

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Keper, oorspr. dakspar, kapspant, zolderrib, later ook als weversterm gebruikt, daar de keper wel wat aan de zolderribben doet denken. Vermoedelijk afgeleid van den stam kip = steunen.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

keper ‘dakspar; visgraat (in weefsel)’ -> Duits Köper ‘weefsel in keperverbinding (weefsoort)’; Deens kiper ‘visgraat (in weefsel)’ (uit Nederlands of Nederduits); Deens kip ‘het bovenste deel van een dakconstructie’; Noors kiper ‘visgraat (in weefsel)’ (uit Nederlands of Nederduits); Zweeds kypert ‘weefwijze’ (uit Nederlands of Nederduits); Tsjechisch kepr ‘visgraat (in weefsel)’ ; Slowaaks kepr ‘visgraat (in weefsel)’ ; Russisch kípor, kípornaja matérija ‘keper, schuin doorkruist weefsel’; Esperanto kepro ‘weefsel in keperverbinding’ ; Indonesisch képar ‘visgraat (in weefsel)’; Jakartaans-Maleis képar, kipar ‘keper, soort stof’; Javaans kèper, kiper ‘visgraat in weefsel’;? Makassaars cêperé ‘geelwit katoen’; Minangkabaus kepa ‘soort dikke stof’; Rotinees kèpe, kèper ‘visgraat (in weefsel)’; Soendanees kepĕr ‘soort weefsel’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

keper visgraat (in weefsel) 1717 [WNT] <Latijn

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

1125. Iets of iemand op de keper beschouwen (of bekijken),

d.w.z. iets zeer nauwkeurig beschouwen. De wever verstaat onder de keper de kettingschering met den inslag, wat de Franschen tissure, bij fijner werk filure en bij grover croisure noemen. Wanneer men nu de fijnheid of de grofheid van het weefsel, b.v. van laken, onderzoeken wil, drukt men het wollige, harige, waarmede de grond van het weefsel bedekt is, tegen den draad in, een weinig terug en van 't geen nu bloot ligt, zegt men: dat is een fijne, of ook, een grove keper; zie Clarisse, Natuurkunde, bl. 403 en vgl. het bij Sart. Il, 4, 87 voorkomende: een dinck op den uyttersten draet ondertasten. Beziet men derhalve een weefsel tot op de keper, dan wordt dit zeer nauwkeurig gedaan; ook in het oostfri.: nau op de Käper sên. De uitdrukking wordt in de 18de eeuw aangetroffen in Br. v. Abr. Bl. I, 208: Beschouw Gods ouwe Jooden eens op de keper; vgl. ook V. Janus III, 220; Harrebomée I, 392; Villiers, 60; Gunnink, 145; O.K. 147: 'k Heb jelui nu allebei eens op den keper bekeken; Schoolm. 87; Afrik. Iets op die keper beskou.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut