Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

kemphaan - (steltloper)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

kamp 2 zn. ‘strijd’
Mnl. camp ‘tweestrijd’ [1240; Bern.].
Ontleend aan Latijn campus ‘strijdperk, slagveld, speelveld, sportveld’, zie → kamp 1, met latere betekenisontwikkeling tot ‘tweestrijd, duel’, parallel aan middeleeuws Latijn campus ‘strijd’.
Ook: mnd. kamp; ohd. kamph ‘strijd’ (mhd. kampf, nhd. Kampf), dus ontleend voor de Hoogduitse klankverschuiving; ofri. camp (nfri. kamp); oe. camp (ne. vero. camp); on. kapp (met assimilatie mp > pp; nijsl. en nno. kapp, nzw. i kapp ‘om het hardst’); < pgm. *kampa-. Hiervan afgeleid het zn. pgm. *kamp-ja-, waaruit mnl. kempe ‘vechter, strijder’; os. kempio (mnd. kempe > nzw. kämpe); ohd. kempho, kemphio (mhd. kempfe, maar nhd. Kämpe [18e eeuw; Pfeifer] < mnd.); ofri. kampa, kempa; oe. cempa [ca. 700; OED]; on. kappi, alle ‘strijder, vechter’; en zie ook → kampioen. Ook afgeleid van *kampa- het ww. pgm. *kampōn-, waaruit mnl. kampen (zie hieronder); nfri. kampe, kampje; oe. campian (ne. vero. camp); met ander vocalisme, hetzij uit pgm. *kampjan-, hetzij als afleiding van het zn.*kamp-ja-: mnl. kempen; mnd. kempen; ohd. kemphen (mhd. kempfen, nhd. kämpfen); ofri. kempa, kampa; nzw. kämpa; alle ‘strijden, vechten, een al dan niet gerechtelijke tweekamp voeren’.
In het Middelnederlands was camp het gewone woord voor zowel een fysieke als een gerechtelijke strijd, hetzelfde geldt voor de oude taalfasen van de andere Germaanse talen. De betekenis ‘gerechtelijke strijd’ is kenmerkend voor het Germaanse taalgebied. Kamp ‘strijd’ is tegenwoordig minder gewoon dan het synoniem strijd, wedstrijd, het is nog wel gebruikelijk in samenstellingen als tweekamp, zeskamp, meerkamp.
kampen ww. ‘strijden; te lijden hebben’. Mnl. campen ‘een tweestrijd met iemand voeren’ [1299; MNW], ook kempen ‘id.’ [1481-83; MNW]; vnnl. kampen, kempen ‘strijden, vechten’ [1599; Kil.], ook met een zaak als tegenstander, in die met sijn noodt-lot kampt ‘die zich verzet tegen zijn noodlot’ [ca. 1626; WNT]; nnl. vooral in de vaste verbinding te kampen hebben met iets of iemand ‘daar tegenstand of belemmering van ondervinden’, in men heeft, op de baan der deugd, met groote hindernissen te kampen [1799; WNT zamelen]. Afleiding van het zn. kamp; de vorm kempen staat gezien de datering wrsch. onder invloed van mnl. kempe ‘strijder’ met umlauts-e. ♦ kemphaan zn. ‘bepaalde weidevogel (Philomachus pugnax); strijdlustig persoon’. Vnnl. camp-hanen (mv.) ‘zekere vogels’ [1608; WNT kamphaan], kemphanen ‘id.’ [1641; WNT]; nnl. kemphaantje ‘ruziezoeker’ [1710; WNT]. Gevormd uit de stam van het werkwoord kampen/kempen en → haan ‘mannelijke vogel’, naar de schijngevechten die de mannetjes van deze vogelsoort in het voorjaar met elkaar voeren. Het woord kwam in het verleden ook wel voor als benaming voor ‘vechthaan (in hanengevechten)’. Ouder is overigens al de benaming kemperkens (mv.) [1599-1603; Eigenhuis 2004]. Ook in andere talen wordt deze vogel vernoemd naar zijn vechtlust: de wetenschappelijke naam is gebaseerd op de Griekse en Latijnse woorden voor ‘strijdlustig’, verder bijv. Zweeds brushane, letterlijk ‘drifthaan’, Frans chevalier combattant, letterlijk ‘strijdende ridder’, Pools batalion, letterlijk ‘bataljon’.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

kemphaan [waadvogel] {1641; als benaming voor een Javaanse vogel reeds 1637; in de betekenis ‘twistzoeker’ 1717} van kempen, nevenvorm van kampen [strijden] (vgl. kamp), vanwege de felle schijngevechten van de mannetjes tijdens de balts.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

kemphaan znw. m. eerst na Kiliaen, maar wegens de vorm kemp zeker wel ouder, zie: kamp 2.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

kemphaan znw., nog niet bij Kil. Zie kamp II.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

kemphaan m., het eerste lid is de stam van kempen = kampen, met e = ä van kamp 1 = strijd.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Debrabandere (2007), Zeeuws etymologisch woordenboek: de herkomst van de Zeeuwse woorden, Amsterdam

kemphane, kemphoene zn.: mannelijke, resp. vrouwelijke hennepplant. Brok gaat uit van kempin(ne), als vrouwelijke vorm van kemp voor de vrouwelijke hennepplant, die opgevat werd als kemphin(ne), waardoor de opponerende vormen kemp(h)aan en kemphoen ontstonden. – Bibl.: H. Brok, De benamingen van de mannelijke en vrouwelijke hennep. TT 36 (1984), 101-116.

A.A. Weijnen (2003), Etymologisch dialectwoordenboek, Den Haag

kempaan mannelijke hennep (Oost-Vlaanderen). Ss. van kemp (= kennep ↑) + haan, om te opponeren met kempin, het woord voor de als vrouwelijk beschouwde plant, een afleiding met het suffix -in, waarvan in misschien mede als hin ‘kip’ werd geïnterpreteerd.
TT XXXVI 105-108, Weijnen 1937, 158.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

kemphaan: (eint.) voëls. (Pavonella pugnax, fam. Scolopacidae); Ndl. kemphaan (sedert 17e eeu), later op ander veglustige voëls toeg. en ook op mense; die wd. hou verb. m. kamp II en die ww. daarby, “geveg; veg”, d.w.s. kempen naas kampen.

Thematische woordenboeken

H. Blok en H.J. ter Stege (2008), De Nederlandse vogelnamen en hun betekenis, 4e editie, Leidschendam

KEMPHAANPhilomachus pugnax
Duits Kampfläufer
Engels Ruff
Frans Chevalier combattant
Fries Hoants
Betekenis wetenschappelijke naam: de vechtlustige. Tijdens de balts in het vroege voorjaar ‘bekampen’ de kemphanen elkaar in felle schijngevechten op een daarvoor uitgekozen toernooiveld of ‘lek’. Bij deze spiegelgevechten rennen en springen ze op elkaar af met opgezette kraagveren en oorpluimen. Dit opvallende uiterlijke vertoon waarmee ze hun tegenstanders en de kemphennen trachten te imponeren en de laatste aan zich proberen te binden, gaf aanleiding tot het ontstaan van allerlei toepasselijke namen. Het strijdlustige ‘hanige’ gedrag komt tot uitdrukking in de namen Striedhane (Ach), Striedvoggel (Ach), Kemp, Kampie (Ree), Kemperken, Kempien (Kam), Kemphôantse (Ter), Kepaene (Sco) en in Kampstrandloper. De indruk gewekt door de laatste naam als zou het strand zijn biotoop zijn, is onjuist. Wel behoort de Kemphaan tot de onderfamilie Calidridinae, die wij strandlopers noemen. Vervolgens doen verschillende varianten van ‘haan’ de ronde zoals Hontk (Fr), Hintsje (Fr), Ho(e)nsk (Ame), Haantje en Hoants(je) (Fr). Als een hommage aan de fraai opgezette kraag of kap van de pronkende haan creëerde men de namen Kraechsetter (Ame), Kraechman (Ter), Krageman of Kroagemon (Ter), Kragemaker (Tex) en Kraagman (Lb). De volksnamen Hoantsjkaper (Fr), Kapperdien (Gr), Kappershoan (Gr), Kappertje (Gr, Zl) en Pronkhaan hebben dezelfde achtergrond. Ook de namen Doeskop (Twe) en Kadoeshoonder (Alm) hebben betrekking op de wild door elkaar wapperende kraagveren, een beeld, dat treffend verwoord wordt in Foddebosk (Sch) en zoiets als sloddervos betekent. Als tegenstelling tot onze gedomesticeerde hoenders en waarschijnlijk ook vanwege zijn ‘wilde’ gedrag wordt de Kemphaan aangeduid met Wyldehôane (Ter), of met Wyldehoen (Ter) als het de hen betreft. Wilster (Sch) en Wylsterhoanne (Fr) is de Friese benaming voor plevieren, een familie waarmee de vogels enige overeenkomst vertonen. Uit de vogelhandel komt de naam Meisnip. Het ging destijds om kemphanen die in het vroege voorjaar in netten werden gevangen en onder genoemde naam op de markt werden gebracht. Maaisnip is vermoedelijk een verbastering van deze naam. Tot slot een tweetal namen waarvan de betekenis ons onbekend is, te weten het Vlaamse Ruile en Bèson (Ame).

K.J. Eigenhuis (2004), Verklarend en etymologisch woordenboek van de Nederlandse vogelnamen, Amsterdam

Kemphaan Philomachus pugnax (Linnaeus: Tringa) 1758 [Zweden]. Eén van de weidevogels der Lage Landen, die nu als broedvogel hier ernstig bedreigd is. De ♂♂ Kemphanen houden in het voorjaar opvallende schijngevechten, waarbij zij pronken met hun veelkleurige en wijduitstaande kragen. Daarnaar zijn zij genoemd: het ww. kempen is het mnl equivalent van het ww. kampen ‘strijden, vechten’. Ook in andere talen wordt naar dit ‘vechten’ verwezen: fries Hoants ↑ (letterlijk: Haantje; mannelijke Huishoenders (= Hanen) plegen onderling ook te vechten; Kemphanen zijn echter geen Hoenders, maar Steltlopers ↑).
D Kampfläufer Kampfhahn [Schlegel 1858; Van Beckum 1952] Gemeiner Kampfstrandläufer [Schlegel 1844] Streitbare Vögel (mv.) [HG 1669 Avis pugnax; zweeds/noors/deens Brushane (vgl. zweeds brushuvud ‘driftkop’); E volksnamen Fighting Ruff, Equestrian Sandpiper; F Chevalier combattant (chevalier ‘ridder’; combattant ‘strijdend’) Combattant variable [Schlegel 1844]; It Combattente; Sp Combatiente; pools Batalion (vgl. N bataljon ‘groep strijders’; Lat batt(u)ere ‘slaan, vechten’). Evenals in de wetenschappelijke naam: (Lat pugnax ‘strijd- lustig’ pugnus ‘vuist’ pungo ‘stompen, steken, prikken’; vgl. ook bont sub Bont Stormvogeltje). – Het ♀ van de soort noemt men Kemphen.
BENOEMINGSGESCHIEDENIS De VK 1618 noemt wel het ww. kempen (synoniem met kampen), maar niet de naam van de vogel. Aldrovandus (1599-1603) echter geeft de N naam “Kemperkens” ↑ op, wat door Houttuyn 1763 bevestigd wordt. Houttuyn vermeldt Kemphaan als officiële naam; idem bij B&O 1822; hier als tweede keus: “de vechtende Strandlooper”. Schlegel 1852 geeft KEMPHAAN, in hoofdletters, als teken van goed ingeburgerde naam. Volgens zijn opgave is de Kemphaan goed bekend: “Broeit tamelijk menigvuldig aan de oevers van het Haarlemmer en andere meren der provincie Zuid-Holland.” Schlegel was kennelijk toen nog slecht over het voorkomen in de andere provincies geïnformeerd. Gavere & Bemmelen 1856 vermelden voor de provincie Groningen: “Broeit bijna overal menigvuldig; ongemeen talrijk in het Onland. Broeit in kleinen getale op Rottum.” Citaat uit Houttuyn: “Van de Franschen wordt deeze Vogel, die zeer bekend is in de middelste deelen van Europa, Combattant of Paon de mer, dat is Zee-Paauw, geheeten; van de Engelschen Ruffe of Reeve; van de Duitschers Haus-teuffel; van de Polakken Ptak bitny; van de Sweeden Brushane. Wy geeven ’er den naam van Kemphaan aan, en weleer plagt men ze, in ’t Nederduitsch, Kemperkens te noemen, ’t welk overeenkomt met den tytel van Avis pugnax by de Schryveren, waar van MOEHRING zyn Philomachus gesmeed heeft.” Avis pugnax is ook de naam in Jonston 1660, Tab.52, waar de soort (vanwege de variable halskragen) viermaal staat afgebeeld.
Zie ook Foddebosk, Maaisnip, Meisnip en Ruil ↑.
ETYMOLOGIE kampen kamp ‘gevecht; tweekamp; legerplaats’ camp ‘buiten de es gelegen afgepaald stuk land; veld’ > plaatsnaam Kampen in Fr, Ovl, NH en Zld en Camperduin NH campus ‘(onontgonnen) veld’. De Kempen (in Brabant) Kempliester. Voor -haan zie Haan.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

kemphaan ‘steltloper’ -> Sranantongo kepanki ‘vogelsoort’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

kemphaan steltloper 1641 [WNT]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

1123. Een kemphaan,

d.w.z. een twistzoeker, iemand die graag disputeert. Eig. is een kemphaan ‘een vogel, die tot de orde der steltloopers behoort en de grootte heeft van eene gewone tortelduif. Het mannetje overtreft alle bekende vogels in zucht tot vechten, waaraan de vogel dan ook zijn naam dankt’ (Van Dale). Vgl. Halma, 259: 't Is een kemphaantje, c'est un querelleur, une querelleuse, il ou elle cherche noise; hd. ein Kampfhahn; eng. bantam(cock), fighting-cok (Prick, 57). In Zuidndl. een kamphaan(tje).

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal