Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

kelner - (ober, bediende in café of restaurant)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

kelner zn. ‘ober, bediende in café of restaurant’
Nnl. in mijn hotel komende, verzocht ik den ouden kelner [1806; WNT passant I].
Ontleend aan Duits Kellner ‘id.’ [18e eeuw; Pfeifer], ontwikkeld uit Oudhoogduits kellenāri ‘keldermeester, beheerder van de voorraadkelder’, ontleend aan middeleeuws Latijn cellenarius ‘id.’, door dissimilatie ontstaan uit Laatlatijn cellararius, afleiding van klassiek Latijn cellārium ‘voorraadkelder, wijnkelder’, afleiding van cella ‘klein vertrek, voorraadkamer’, zie → cel en → kelder. Ook oostelijk mnl. kel(le)nare ‘keldermeester’: kellenere, kelner [1333, 1380; Debrabandere 2003].
De middeleeuwse cellenarius was in hoven, kloosters en abdijen veelal een aanzienlijk ambtenaar. De huidige betekenis ontstond pas in het Nieuwhoogduits. Vergelijkbaar is de betekenisontwikkeling van → kastelein van ‘kasteelheer’ tot ‘kroegbaas’.
Voor een jongere ontlening aan het Duits met dezelfde betekenis, zie → ober.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

kelner [ober] {1841} < hoogduits Kellner. Het woord kwam al in het middelnl. voor, maar in een andere betekenis en met een andere herkomst: middelnederlands kelnare, kellenare [keldermeester, i.h.b. in een klooster] {1201-1250} ofwel afgeleid van kelder, keller, kelnare, kellenare [kelder, herberg, wijnhuis] (vgl. kelder), ofwel geleend < latijn cellarius [tot de voorraadkamer behorend, opzichter daarvan, bottelier].

P.H. Schröder (1980), Van Aalmoes tot Zwijntjesjager, Baarn

kellner

Hij die in een café of hotel de gasten bedient, wordt thans ober genoemd, een naam die slechts toekomt aan het hoofd der kellners, de oberkellner. Beide woorden, ober en kellner zijn aan het Duits ontleend. Feitelijk is een kellner iemand die toezicht houdt op de wijnkelder. In het Middelnederlands heette hij kelnare, maar dit woord is helaas verloren gegaan en vervangen door kellner. De oorsprong van het woord is het Latijnse cellarium, dat aanvankelijk werd uitgesproken kellarium (vandaar kelder) en daarna sellarium (vandaar ons woord cel). Het woord betekende: wat tot de voorraadkamer, de cella behoort.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

kelner znw. m., in de 19de eeuw < nhd. kellner, vgl. ohd. chelnāri = mnl. kelnāre, owfri. kelner ‘keldermeester, bestuurder van de inkomsten (van een klooster)’ < lat. cellenārius. — Daarnaast stond cellārius, dat ontleend werd als mnl. kelre, mnc. keller, kelre, mhd. kellære, keller, owfri. keller. — Zie: kelder.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

kellner znw. Laat-nnl. ontl. uit hd. kellner m., dat op ohd. chëlnâri m. “keldermeester, bestuurder van inkomsten” teruggaat. Dit = mnl. kelnâre m. “keldermeester, bestuurder van inkomsten (van een klooster)”, mnd., owfri. këlner m. “id.”. Uit mlat. cellenârius. Hiernaast een synoniem mnl. kelre, mhd. këllæ̂re, këller (nhd. keller), mnd. këller, këlre, owfri. këller m. uit cellârius. Vgl. kelder.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

kelner (Duits Kellner)
Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

kelner ober 1806 [WNT passant I] <Duits

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut