Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

kelk - (drinkbeker; bloemkroon)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

kelk zn. ‘drinkbeker’
Onl. kelik ‘drinkbeker’ in kelikas (genitief) [10e eeuw; W.Ps.]; mnl. kelch ‘kelk, drinkbeker’ [1240; Bern.], kelc ‘id.’ in so nam hi din kelc ‘toen nam hij de drinkbeker’ [1291-1300; VMNW]; nnl. kelk ook overdrachtelijk ‘kelkvormige bloemkroon’ in witter dan de zuiverste kelk van eene Luiksche Aurikel [1766; WNT], ‘buitenste, meestal groene bloemkrans’ in in de appel- en peereboomen ... is de kelk zo wel een bloem- als vrugtbekleedzel [1773; WNT vrucht I].
Vroege West- en Noord-Germaanse ontlening aan Latijn calix (genitief calicis) ‘beker, schaal’. In het Nederlands en het Duits trad i-umlaut en verzwakking van de onbeklemtoonde lettergreep op.
Evenzo ontleend zijn: os. kelik; ohd. celih (nhd. Kelch); ofri. tzilik, tzelk, tzielk (nfri. tsjelk(e)); oe. calic, celic, cælc (maar door hernieuwde ontlening me./ne. chalice); on. kalkr, kalekr (nzw. kalk).
De herkomst van Latijn calix is onzeker. Het is verwant met Umbrisch scalce-to ‘offerschaal’ en Grieks kúliks ‘beker, bokaal’. Wrsch. zijn al deze woorden ontleend aan een onbekende substraattaal (Schrijver 1991: 207).

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

kelk1 [drinkbeker] {kel(e)c, kelic [kelk, drinkbeker] 1201-1250} oudsaksisch kelik, oudhoogduits kelich, oudengels calic (engels chalice), oudnoors kal(e)kr < latijn calicem, 4e nv. van calix [beker], grieks kulix, oudindisch kalaśa- [pot]; verwant met kelk2.

kelk2 [bloemkroon] {1766} net als hoogduits Kelch < latijn calyx (gebruikt door botanici) < grieks kalux [bloemkelk, knop], oudindisch kalikā [bloemknop]; is in wezen hetzelfde woord als kelk1.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

kelk znw. m., mnl. kēlec, keelc, kelc m., os. kelik, ohd. chelih, chelh, ofri. tzilik, tzielk, oe. celc, cælc ‘kelk, beker’ < lat. calice(m), reeds in de Romeinse tijd als term van de wijnbouw ontleend. Een kerkelijke ontlening uit de 10de eeuw is fra. calice, oe. calic (> on. kalekr, kalkr).

De bet. ‘bloemkelk’ ontstond door het samenvallen van lat. calix ‘beker’ met calyx (< gr. kálux) ‘bloemkelk’.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

kelk znw., mnl. kēlec, keelc, kelc m. = ohd. chelich, chelh (nhd. kelch), os. kelik, ofri. tzilik, tzielk, ags. celc (merc.), cælc (north.) m. “kelk, beker”. Ontl. uit lat. (calix, acc.:) calicem “id.”. Wegens de tweede k een oudere ontl. dan kruis. Een jongere geleerde ontl. is ags. calic m. > on. kalkr m. “kelk, beker”. Kelk heeft nnl. de bet, “bloembekleedsel” gekregen, evenals nhd. kelch, doordat lat. calyx (gr. kálux) “ bloemkelk” in uitspraak met calix samenviel, dat men als identisch met kelk voelde.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

kelk 1 m. (beker), Mnl. kelc, Os. kelik, gelijk Ohd. kelich (Mhd. en Nhd. kelch), Ags. calic en On. kalkr, uit Lat. calicem (-ix) + Gr. kúlix, Skr. kalaças.

kelk 2 m. (bloemenkelk), gelijk Hgd. kelch, uit Lat. calycem (-yx), dat men met calicem (z. kelk 1) verwarde, maar dat een ander, doch ook verwant woord is, ontleend aan Gr. kálix + Skr. kalikā.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

kelk (de, -en), (ook:) stoel van een plant. Een zwampbos* telt veel pina*-kelken.

Thematische woordenboeken

N. van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

kelk (Latijn calicem, 4de nv.)

E. Sanders (1997), Borrelwoordenboek: 750 volksnamen voor onze glazen boterham, Den Haag

kelkje Een kelkje is een van onder puntig of smal, maar van boven wijd uitlopend glas op een hoge voet. Aanvankelijk, in de 18de eeuw, werd dit glas vooral voor wijn gebruikt, later ook voor jenever. Als borrelnaam is kelkje pas aan het begin van deze eeuw voor het eerst opgetekend, in Gent. Van Dale en Verschueren noemen het niet in deze betekenis, Koenen wel. Vooral in het werk van Carmiggelt duikt het woord regelmatig op. Zo schreef hij in 1965:

Hij zit nu zondags, na de kerk, in de voorkamer en nuttigt zeer langzaam de drie kelkjes waarvoor hij vroeger het geld afgepast mee kreeg.

De borrelnaam komt meestal voor in de verkleinvorm, maar ook als kelk. In het Afrikaans wordt een borreltje ook wel een skemerkelkie genoemd. Het gaat hier om een kelkje dat ’s avonds, in de schemering, wordt gedronken (vergelijk schemerlampje).

[HAT 931; Kingmans 74; Liev.-Coopm. 633; Mullebrouck 335; WNT VII1 2107-2108]

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Kelk van ’t Lat. calicem (spr. kalikem), 4e nv. van calix = beker, afl. van den Idg. wt. kel = verbergen, zie Kelder en Helen.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

kelk ‘bloemkroon; drinkbeker’ -> Madoerees kelki, gerki ‘bitterglas, glaasje’; Papiaments kèlki (ouder: kelki) ‘klein borrel- of wijnglas op een voet; bloemkroon; paddenstoelvormig kogeltje dat met een luchtbuks wordt afgeschoten’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

kelk drinkbeker 1240 [Bern.] <Latijn

kelk bloemkroon 1766 [WNT] <Latijn

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal