Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

kelder - ((gedeeltelijk) ondergrondse bergplaats)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

kelder zn. ‘(gedeeltelijk) ondergrondse bergplaats’
Onl. kellera (mv.) ‘opslagruimten’ [10e eeuw; W.Ps.], ther kuning leydoda mich in sinan winkelnere ‘de koning leidde me in zijn wijnkelder’ [ca. 1100; Will.]; mnl. kelnere ‘voorraadkamer’ [1240; Bern.], kelre ‘opslagruimte’ [1240; Bern.], dat si tin kelre was geraket ‘dat ze in de kelder was gekomen’ [1263-1300; CG II], deed hise jn enen kelder legghen ‘liet hij ze in een kelder leggen’ [1276-1300; CG II].
Oude ontlening aan Latijn cellārium ‘voorraadkamer, kelder’, afleiding van cella ‘voorraadkamer (voor graan, vruchten enz.), kamer’, zie → cel. De vormvarianten zijn mogelijk ontleend aan de bijvormen cellerārium, cellelārium of *cellenārium.
Oorspronkelijk waren kelders niet altijd ondergrondse opslagruimten, hetgeen nog te zien is aan de betekenis ‘provisiekast, kelder’ van Frans cellier (Oudfrans celier ‘id.’).
Het woord is wrsch. al in de vroeg-Romeinse tijd, in de eerste eeuwen na Christus, ontleend, net als → zolder.
In het Nederlands heeft zich tussen -l- en -r- een overgangsklank -d- ontwikkeld, vergelijkbaar met wat is gebeurd bij → donder.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

kelder [deel van gebouw onder de begane grond] {kelre, kelder, keller 1201-1250} < latijn cellarium [voorraadkamer], van cella [voorraadkamer voor graan, vruchten etc.], in cellam [voor het huishouden] (vgl. cel).

P.H. Schröder (1980), Van Aalmoes tot Zwijntjesjager, Baarn

kellner

Hij die in een café of hotel de gasten bedient, wordt thans ober genoemd, een naam die slechts toekomt aan het hoofd der kellners, de oberkellner. Beide woorden, ober en kellner zijn aan het Duits ontleend. Feitelijk is een kellner iemand die toezicht houdt op de wijnkelder. In het Middelnederlands heette hij kelnare, maar dit woord is helaas verloren gegaan en vervangen door kellner. De oorsprong van het woord is het Latijnse cellarium, dat aanvankelijk werd uitgesproken kellarium (vandaar kelder) en daarna sellarium (vandaar ons woord cel). Het woord betekende: wat tot de voorraadkamer, de cella behoort.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

kelder znw. m., mnl. kelre, keller, kelder, onffrank. kelleri, os. kelleri, ohd. chellari, on. kellari, kjallari, in de Romeinse tijd ontleend aan lat. cellarium ‘bewaarplaats voor spijzen’ met het bekend worden van de Romeinse bouwtechniek.

Mnl. kelnare, kelnere, ofri. szelner zal wel ontstaan zijn uit vulg. lat. *cellenarium, zie ook: kelner.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

kelder znw., mnl. kelre, keller, ook reeds kelder m. = onfr. këlleri, ohd. chëllâri (nhd. keller), os. këlleri, on. këllari, kjallari m. “kelder”. Ontl. uit lat. cellârium “bewaarplaats van spijzen” (van cella) of een rom. vorm hiervan. Het meer gewone mnl. kelnâre, -er(e), -aer, ofri. szëlner m. “kelder” wordt uit een bijvorm van cellârium, namelijk cellerârium of cellelârium, *cellenârium afgeleid. Zie de tweeërlei vormen bij kellner. Vgl. nog bij muur I.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

kelder 1 m., Mnl. kelre, Onfra. kelleri, gelijk Ohd. kellari (Mhd. en Nhd. keller) en On. kjallari, met opgeschoven klemtoon (vergel. aalrups), uit Lat. cellarium, een afleid. van cella = cel (z.d.w.).

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

kel’der (de, -s), (hist.) kist verdeeld in vakken, bestemd voor het vervoer van vierkante flessen (als veroud. AN), echter in Suriname eertijds ook gebruikt (a) voor het vervoer van andere dingen en (b) als inhoudsmaat. a: Ik ontving met die boot het een en ander van Reunie, maar helaas de rijst was in plaats van in een kelder juist in een kleine zak ingepakt en de Bosnegers* beweerden, dat de zak onderweg een gat had gekregen en een deel van de rijst was daaruit gelopen (Spalberg 1899; 1979: 70). - b: Cassave bijvoorbeeld werd niet per kilo of zak verhandeld maar per kelder, die men tot boven de rand mocht opladen totdat de eerste knol eraf valt (Waller 32).

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

kelder I: s.nw., “bêreplek” (bv. v. voedsel); Ndl. kelder (Mnl. kelre/keller/kelder), Hd. keller, Eng. cellar, uit Lat. cellarium (v. cella, “provisiekamer”) tot i. d. 17e eeu nog gew. onder d. woonvloer (soos nog i. d. Onderveld), dan kom reeds i. d. 17e eeu, veral i.v.m. die wynhandel, in gebr. d. wynkelder, kortweg kelder genoem (soos nog i. d. Boland en reeds by vRieb cruytkelder, melckkelderken/-keldertjen) as afsonderlike gebou; vroeër ook gebr. in bet. “kantien, trommel”, soos waar vRieb bv. mense uitstuur met o.a. ’n “kelder met 4 tinne flessen Spaens- ende brandewijn”; hou ook verb. m. kelner (in die 19e eeu) uit Hd. kellner.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

kelder (Latijn cellarium)

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Kelder van ’t Lat. cellarium = onderaardsche voorraadskamer, van cella = kleine kamer, afl. van celere = verbergen, verwant met ons helen (z. d. w.).

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

kelder ‘deel van gebouw onder de begane grond’ -> Engels † kelder ‘baarmoeder, schoot’; Ests kelder ‘deel van gebouw onder de begane grond’ (uit Nederlands of Duits); Indonesisch kélder ‘deel van gebouw onder de begane grond’; Ambons-Maleis kèlder ‘jeneverkelder’; Kupang-Maleis kèlder ‘jeneverkelder’; Menadonees kèlder ‘jeneverkelder’; Rotinees kèle ‘deel van gebouw onder de begane grond’; Ternataans-Maleis kèlder ‘jeneverkelder’; Creools-Portugees (Batavia) kelder ‘deel van gebouw onder de begane grond’; Creools-Portugees (Malakka) kelda, quelder ‘grafsteen’; Negerhollands keller ‘deel van gebouw onder de begane grond’; Papiaments kèlder (ouder: kelder) ‘grafkelder; (verouderd) kelder’; Sranantongo kedre ‘deel van gebouw onder de begane grond’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

kelder deel van gebouw onder de begane grond 1240 [Bern.] <Latijn

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

740. Naar de haaien gaan of zijn,

d.w.z. te gronde gaan, onherroepelijk verloren zijn, dood zijn (zie o.a. Nkr. II, 17 Mei p. 3; VI, 16 Nov. p. 2; Kmz. 27) of naar de pieren gaan, zooals de Vlamingen zeggen (ook in Twee W.B. 95), naar kapitein Jas gaan (Indië; Harreb. I, 357; Ndl. Wdb. VII, 228). Oorspr. van een over boord gevallen of gezetten matroos gezegd; vgl. het eng. to go to the dogs; hd. vor die Hunde, die Hühner gehen en de synonieme uitdr. naar den kelder gaan of kelderen (in Nkr. VIII, 31 Jan. p. 2), noa beppe's kelder - (Molema, 29), naar grootje -, zijn ouwe moer -, ad patres gaan; naar de pieltjes of pieleendjes (Harreb. III, CXLVI); naar de knoppen, klooten, kwaartjes, vaantjes zijn (Rutten, 115 b; Antw. Idiot. 680; 671; 730; 1308); naar den dieperik gaan; naar den kabeljauw zijn; naar den kabeljauwkelder trekken (= verdrinken; Waasch Idiot. 173 b; 318 a; Ndl. Wdb. VII, 806); naar de kiele zijn (Landl. 6; S. en S. 6); naar 't pierenland, bij Peerken den dood zijnDe Cock, Volksgeneeskunde in Vlaanderen, bl. 337., naar 't Pierengeland gaan ('t Daghet XII, 142; Tuerlinckx, 500); in 't pîrkesland gân (Woeste, 200 a); na de bômkes gân (Korrespblatt XXIII, 33). Vgl. no. 741.

835. Hansje in den kelder.

Hieronder verstaat men een feestdronk, die vroeger eene vrouw, die in gezegende omstandigheden verkeerde, werd gewijd; men dronk hier- mede op den verwachten nieuwen wereldburger. In Duitschland kent men deze uitdr. ook: Hänsel im Keller of Hänschen im Keller of im düstern Keller (Wander II, 357); evenzoo in het Deensch: lille Hans i kjelderen. In het Engelsch schijnt zij uit Holland ingevoerd te zijn; zij luidt: Jack in the cellar (Halliwell, 433). Synonieme uitdrukkingen waren: het wel afloopen van het scheepje of het bolletje in het holletje drinken; de Vlamingen zeggen, evenals wij vroeger: Maeiken in 't schapraeiken (zie Ndl. Wdb. XIV, 277); elders gebruikt men: 't kindeken in 't spindeken of wel 't kinneken in 't spinneken (Harrebomée I, 404); in Duitschland ook Gretchen in der Küche naast Jan im Keller. Bij ons dateert de uitdr. hoogstwaarschijnlijk eerst uit de 17de eeuw; we vinden haar in Huygens, Cluysw. vs. 337; Winschooten, 284: hansken is in de kelder, en maiken in schapraiken. Vgl. ook D. Pers, Wonderwercken van Bacchus, anno 1628, bl. 47:

Het kluwen sich ontwind, het hansjen was verborgen,
Het Vrouwtjen was beswaert, en vol benaude sorgen.

Van al de gegeven verklaringen komt mij de eenvoudigste deze voor, dat wij kelder opvatten in den zin van den moederschoot, het duistere, het verborgene, het ‘holletje’, zoodat ‘Hansje in den kelder’ eig. wil zeggen: het kindje dat nog in het verborgene zit; het kindje dat het levenslicht nog niet heeft aanschouwd. Zie Taalk. Bijdr. II, 27; Schotel, Oud-Holl. Huisgezin, 293; Noord en Zuid VI, 86 vlgg.; De Cock1, 122 en Ndl. Wdb. V, 2115. Dat juist de naam Hansje gekozen is, moet hieraan worden toegeschreven, dat Hans een zeer algemeen verbreide naam is, evenals bijv. Jan. Vandaar ook groote Hanzen (16de eeuwZie Lat. Versch. 259; Mnl. Wdb. III, 85 en Kil.: Hans, antecellens caeteros mortales fortuna et opibus; hansen, magnates, optimates.), schraalhans, hansworst, (uit hd. Hanswurst), vroeger bij ons ook hans-sopFri. hansôp; nd. hansup, hansop; Ndl. Wdb. V, 2117., vertaling van het hd. Hans Supp(e), vanwaar het kleedingstuk van dien naam, eene navolging van het fr. Jean Potage; vgl. ook het eng. Jack Pudding; ital. maccherone.

1101. De kat in den kelder metselen.

‘Hy heeft de kat in de kelder gemeestert. Dit zegt men van een lapzalver, die een wonde of zweer boven toeheelt, terwijl het quaad onder ineet en verkankert’ (Tuinman I, 313; vgl. ook II, 9); Harreb. I, 385; Van Eijk II, 44; Ndl. Wdb. VII, 1791: De kat in den kelder metselen, de uitbarsting verhinderen, maar 't kwaad laten bestaan; De Telegraaf, 9 Jan. 1915 (avondbl.) p. 7 k. 6: Maar het is de vraag of men naar deze maatregelen grijpend niet ‘de kat in den kelder metselt’. Bij Schuermans, Bijv. 150: de kat in den kelder vermaken of sluiten, enfermer le loup dans la bergerie; De Bo, 498: de katte in den kelder kweeken, iemand in eene plaats laten waar hij veel kwaad kan doen.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut