Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

keizer - (vorst van de hoogste rang)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

keizer zn. ‘vorst van de hoogste rang’
Onl. keisere ‘keizer’ in thie keysere ande thie cuninga ande andero wereldfureston ‘de keizers en de koningen en andere wereldvorsten’ [ca. 1100; Will.]; mnl. keiser ‘hoogste vorst’ [1200; VMNW].
Ontleend aan Latijn Caesar, de naam van de Romeinse heerser Gaius Julius Caesar (100-44 v. Chr.). De Nederlandse vorm met ei (i.p.v. de verwachte ē) is wellicht beïnvloed door het (Oudhoog)duits.
Evenzo ontleend zijn: os. kēsur (mnd. keiser); ohd. keisar (nhd. Kaiser); ofri. kaiser, keiser (nfri. keizer); oe. cāsere (maar me. kaiser, keiser door herontlening aan het Duits); on. keisari (nzw. kejsare); got. (via Grieks kaĩsar) kaisar. Dit woord wordt algemeen beschouwd als het oudste Latijnse leenwoord in de Germaanse talen, nog met klassiek-Latijnse gediftongeerde uitspraak van de -ae-.
De Latijnse naam Caesar gaat wrsch. terug op een Etruskisch woord (Ernout/Meillet), waarvan de grondbetekenis echter onbekend is.
Caesar gaf zijn adoptiezoon Octavianus, de latere keizer Augustus, tevens zijn eigen naam Caesar mee. Ook sommige van diens opvolgers kregen een extra naam Caesar. Maar pas enkele eeuwen na de dood van Julius Caesar werd caesar in het Romeinse Keizerrijk ingevoerd als officiële titel voor de vicekeizer (de keizer kreeg de titel augustus). Het gewone woord voor ‘heerser van het keizerrijk’ was en bleef echter imperator (Frans empereur enz.), afleiding van imperium. In de continentaal-West-Germaanse talen werd keisar ingevoerd als titel voor de heerser van het Heilige Roomse Rijk (843-1806) en in die betekenis overgenomen in het Middelengels, het Oudnoords en bovendien via Oudkerkslavisch cěsarĭ in de Slavische talen, zie → tsaar. Later werd het een algemene aanduiding voor ‘heerser van een groot rijk’.
keizersnede zn. ‘geboorte d.m.v. een buikoperatie’. Vnnl. door de keyserlijcke snee ... verlost [1663; WNT zeggen I]; nnl. keizersnede ‘id.’ [1783; Winkelman NF]. In de oudste attestatie is sprake van een letterlijke leenvertaling van Neolatijn sectio caesaria, evenals bijv. Engels caesarian section. De huidige vorm is een leenvertaling van Hoogduits Kaiserschnitt [1674; Kluge21], leenvertaling van hetzelfde sectio caesaria. Letterlijk betekent dat ‘Caesar-snede’: men dacht dat de Romeinse heerser Julius Caesar via een snede in de buik van zijn moeder ter wereld was gekomen. Dit begrip berust op de pseudo-etymologie van de Romeinse wetenschapper Plinius (1e eeuw na Chr.), die in zijn Naturalis Historia (boek 7) de eigennaam Caesar verklaart als afleiding van caedere (verl.deelw. caesus) ‘vellen, slachten, snijden’, omdat de eerste van de Caesaren zou zijn geboren uit de opengesneden baarmoeder van zijn moeder. In de hedendaagse medische literatuur wordt veelal melding gemaakt van een Romeinse wet, de Lex caesarea, die voorschreef dat men bij het overlijden van een hoogzwangere vrouw middels een buiksnede het leven van het ongeboren kind moest redden. Hiervan is in de Romeinse juridische literatuur echter niets bekend.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

keizer [titel van de hoogste vorst] {keiser 1200} < latijn Caesar; de naam van (Gajus Julius) Caesar werd na zijn dood een titel die de Romeinse heersers aannamen. Vgl. voor de vorming russisch korol' [koning], van de naam van Karel de Grote, oudhoogduits Karal, Karltsaar.

P.H. Schröder (1980), Van Aalmoes tot Zwijntjesjager, Baarn

keizer

Waarschijnlijk is keizer het oudste woord dat Germaanse talen aan het Latijn hebben ontleend. Het is de naam van de Romein Gajus Julius Caesar, een man uit het geslacht der Julii, die de bijnaam Caesar kreeg, omdat hij volgens Plinius was geboren met wat men later de ‘keizer’snede heeft genoemd. Het Latijnse werkwoord caedere betekent namelijk: snijden. Het woord Caesar, eerst eigennaam, dan titel, werd toen uitgesproken met een k en met ai, anders waren Duits Kaiser en Nederland keizer niet in deze vorm ontstaan.

In de Romaanse talen is de naam Caesar niet overgenomen in de betekenis heerser. Daar ging men terug op imperator. Vandaar het Franse empereur, en daaruit weer het Engelse emperor.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

keizer znw. m., mnl. keiser, os. kēsar, kēsur, ohd. keisar, keisur (nhd. kaiser) en ontleend aan het ohd. ofri. keiser, oe. cāsere, on. keisari. — De naam van C. Julius Caesar werd als titel door de Romeinse imperatores aangenomen. De uitspraak was in het begin van onze jaartelling nog kaisar, vgl. de gr. ontlening kaĩsar. Waarschijnlijk hebben de Goten reeds aan de Zwarte Zee het woord als kaisar overgenomen. Van de limes uit drong het woord ook in het Westgerm. gebied, waar het de bet. van de titel ‘keizer’ kreeg.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

keizer znw., mnl. keiser m. = ohd. keisar, keisur (nhd. kaiser), os. kêsar, kêsur, ofri. (uit ’t Du.) keiser, ags. câsere, (uit het Du.) on. keisari m. “keizer”. In ’t begin van onze jaartelling ontleend uit lat. Caesar, oorspr. de naam van G. Julius Caesar, daarna een titel van de Romeinsche imperatores. Got. káisar m. “keizer” kan of uit ’t Lat. of uit den gr. vorm kaĩsar ontleend zijn. Zoowel in ’t West- als Oostgerm. is het vreemde woord met ai ontleend, terwijl Griek (reeds mnl.), ohd. Chriah, mnd. Krêke, ofri. Krêk (Crêklond “Griekenland”), ags. Crêc, Grêc, got. Kreks m. (met ê²), uit lat. Graecus, een ê-uitspraak van lat. ae veronderstelt. Obg. cěsarˊĭbasileús” is uit ’t Got. ontleend.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

keizer m., Mnl. keiser, Os. kêsar, gelijk Ohd. keisar (Mhd. keiser, Nhd. kaiser), Ags. cásere, Ofri. keiser, Go. kaisar, uit Lat. Caesar (z. ook Czaar).

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

keizer (Latijn caesar)

K. van Dalen-Oskam & M. Mooijaart (2005), Nieuw bijbels lexicon: woorden en uitdrukkingen uit de bijbel in het Nederlands van nu, uitgebreid met De Nieuwe Bijbelvertaling, Amsterdam

Geef de keizer wat des keizers is, geeft de overheid wat men haar verschuldigd is; betaal de belasting.

De keizer in deze uitdrukking is de keizer van Rome, de overheerser van Israël in de tijd van Jezus. De context is een discussie tussen Jezus en de Farizeeën. De laatsten willen hem een strikvraag stellen en hem vragen of men wel belasting moet betalen. Zou Jezus 'nee' zeggen, dan zou hij bekend worden als ongehoorzaam aan de overheid; was zijn antwoord 'ja', dan zou hij zich tegen zijn volk keren. Jezus doorziet hun bedoeling en lost het probleem als volgt op. Hij laat een muntstuk halen, 'En Hij zeide tot hen: Wiens beeldenaar en opschrift is dit? Zij zeiden tot Hem: Van de keizer. Jezus zeide tot hen: Geeft dan de keizer wat des keizers is, en Gode wat Gods is' (Marcus 12:16-17, NBG-vertaling). De Farizeeën weten hierop geen weerwoord en blijven zwijgend achter.

Liesveldtbijbel (1526), Marcus 12:17. Doen antwoorde Jesus ende sprac tot hen, zo geeft den keiser wat des keiser is, ende gode, wat Gods is.
Hij wijst op de geringe interesse voor overlastbestrijding en de weerzin tegen belastingen van vele kroegbazen. 'Geef de keizer wat des keizers is', adviseert Fortuyn. (NRC, aug. 1994)
Ooit werd er gezegd: 'Geef aan de keizer wat de keizer toekomt.' Fundamentalisten weigeren dit te doen, ook op andere vlakken. (De Standaard, nov. 1995)

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Czaar (Russ. tsjar) van Caesar, dat bij ons keizer werd. Bij de Germanen gold de bijnaam Caesar, dien de opvolgers van Julius Caesar aannamen, als titel (keizerstitel), hoewel deze feitelijk: imperator = gebieder luidde (vgl. ’t Fr. empereur). De Germanen knoopten dezen titel aan den hun zoo bekenden veldheer, den veroveraar van Gallië, vast, evenals de Slaven voor „koning” den naam gebruikten van Karel den Grooten, die hen overwon (n.1. Oudslavisch: kralji, Russisch: koroli en Litausch: karalius).

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

keizer ‘titel van de hoogste vorst’ -> Deens kejser ‘titel van de hoogste vorst’ (uit Nederlands of Nederduits); Noors keiser ‘titel van de hoogste vorst’ (uit Nederlands of Nederduits); Madoerees kesēr ‘titel van de hoogste vorst’; Rotinees kèsen ‘titel van de hoogste vorst’; Negerhollands keiser ‘titel van de hoogste vorst’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

keizer titel van de hoogste vorst 1100 [Willeram] <Latijn

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

1119. Hij meent dat keizers kat zijn nicht is.

In de 18de eeuw aangetroffen bij Tuinman II, 56: ‘Zy meent dat 's Keizers kat haare nicht is. Dit zegt men schertzende van eene, die zich belachelyk laat voorstaan, dat zy voor wat groots moet aangezien worden’; Wolff en Deken, Willem Leevend I, 257: Nu beelt gy UE. magtig wat in en denkt, dat 's keizers kat jen nigt is, en och heer! het biest kent je niet eens; Adagia, 33: Hy meynt dat Keysers kat syn nichte is, omnes prae se contemnit; Van Eijk II, 50; Harreb. I, 387; Nkr. III, 1 Aug. p. 2: Die heeren voeren 'n toontje alsof keizers kat hun nicht is. De zegswijze is ook algemeen in Zuid-Nederland bekend; zie Antw. Idiot. 626: Meenen dat 's keizers kat uw nicht is, zich veel laten voorstaan, trotsch zijn; Rutten, 108; De Bo, 498: Zou men niet zeggen dat keizers kat zijne nicht is, en 't en is geen vriend, zegt men van eenen trotschaard; Teirl. II, 115; Ndl. Wdb. IX, 1931; VII, 1793.

1120. Geeft den keizer wat des keizers is en Gode wat Gods is.

Eene zegswijze, die ontleend is aan Matth. XXII, vs. 21, en nu gebruikt wordt in dezen zin, ‘dat wij niet gewelddadig moeten ingrijpen in den politieken staat van zaken en tevens ons altoos door eerbied voor hetgeen heilig is en goed, door rechtschapenheid, waarheidsliefde, menschenmin moeten onderscheiden en alzoo de betamelijke hulde aan God moeten brengen’; Zeeman, 229; Laurillard, 81; Wander II, 1095; fri. jow oan 'e keizer hwet de keizer sines is, en oan God hwet God sines is; fr. il faut rendre à César ce qui est à César, et à Dieu ce qui est à Dieu; hd. gebet dem Kaiser, was des Kaisers ist und Gotte was Gottes ist; eng. render unto Caesar the things which are Caesar's.

1121. Waar niets is, verliest de keizer zijn recht,

d.w.z. op iemand, die niets bezit, kan niets worden verhaald; hem, die niets heeft, kan men niet dwingen te betalen; eene zegswijze die in zeer vele talen voorkomt en wellicht eene herinnering bevat aan het recht van keurmede, eene hofrechtelijke opbrengst, het beste stuk uit de nalatenschap van een hoorige (keurmedige) door den heer krachtens zijn recht te kiezen; zie het Mnl. Wdb. III, 1865. In Bouc v. Sed. 883 wordt deze gedachte uitgedrukt door: Die niet en hevet, van sinen goede mach men calengieren niet. Bij Goedthals, 34: Daer niet en is schelt den bailliu de boete quyte, la ou ny a que prendre, le roy perd son droit; qui rien n'ha, rien ne doibt (vgl. Vad. Mus. V, 372); bij Servilius, 7*: daer niet en is daer verliest de heere syn recht (Huygens, V, 83); bij Campen, 85: daer niet te nemen is, verliest de Koninck syn Recht. In Mergh, 8; Van Moerk. 299; Snorp. 33 en bij Tuinman I, 139 vinden we de spreekwijze in den tegenwoordigen vorm. Vgl. fr. où il n'y a rien, le roi perd ses droits; eng. where nought is to be had the king must lose his right; where nought is to be got, kings lose their scot; hd. wo nichts ist, hat der Kaiser sein Recht verloren; voor het Nederduitsch vergelijke men Taalgids V, 182. Zie ook De Cock1, 67; Waasch Idiot. 338 b: waar niets is verliest de keuning zijn recht; Joos, 168: waar niets is verliest de baljuw zijn boet; Antw. Idiot. 635; Zwolsche Herdr. 14-15, bl. 118; fri. wer net is ferliest de keiser syn rjucht.

1122. Spelen om den keizer zijn baard,

d.w.z. spelen zonder inzet, om niets; hd. um des Kaisers Bart streiten, sich erfolglos um abgethane, verschollene dinge abmühen (Grimm I, 1143) of zooals Schrader, 351 zegt: über etwas, das entweder unwichtig, kleinlich, unnöthig oder vergeblich, unerforschbar ist streiten, sich zanken. Bij ons heeft dus de zegswijze een andere beteekenis. Bij Harreb. I, 25 b: wedden (spelen of vechten) om des Keizers baard; die het wint, zal hem halen; fr. jouer pour le roi de Prusse. De oorsprong der zegswijze is onbekend. Weiland verklaart haar door ‘om iets te spelen, waarop men geen recht heeft’. Zie Ndl. Wdb. II1, 827; Schrader, 350-352; Borchardt, no. 122; Wander I, 240; Seiler, 237 denkt aan vervorming van um den Geiszenbart streiten, navolging van lat. de lana caprina rixari; vgl. fr. disputer de la chape de l'évêque; se battre de la chape à l'évêque, d'une chose à laquelle on n'a aucune raison de s'intéresser (Hatzfeld, 400 b). Syn. in 't Antw. Idiot. 1731: voor gruis spelen, spelen zonder inzet.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut