Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

keil - (dronken)

Etymologische (standaard)werken

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

keil [barg.: dronken] {1927} < rotwelsch Keile, Keli < hebreeuws kəlī [vat, vaatwerk]; het verkleinwoord keiltje betekent ‘groot glas jenever’.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

keil znw. m. ‘wig’, in de 19de eeuw < nhd. keil, vgl. ohd. chil, mnd. kil ‘wig’ en misschien ook on. kīll ‘smalle bocht, lange zeearm’, echter ook ‘wig’, vgl. keila ‘smalle zeearm, rotskloof’ (idg. wt. *ĝei ‘kiemen, zich splijten’ IEW 355), waarvoor zie: kiem 1.

Daar naast nhd. keil staan ohd. kīdel, nhd. dial. keidel ‘wig’, kan nhd. keil < germ. *kiðla- te verklaren zijn. — Van Haeringen Suppl. 84 wijst nog op Kiliaen kiel ‘wig’ (Sax. Sicamb. Fris.), nnl. kiel ‘wigvormige greppel’.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

keil znw., nog niet bij Kil. Ontl. uit hd. keil > ohd. chîl m. = mnd. kîl m. “wig”, on. kîll m. “nauwe inham”. Met ablaut mnd. kêl “inham”, noorw. keila v. “gootje, kanaal”. *Kîla- kan op *kîðla- teruggaan (vgl. mhd. kîdel, nhd. dial. keidel m. “wig”), maar noodig is dat niet. Men neemt gew. verwantschap met kiem aan. Dat ndl. keil een klankwettige ndl. vorm = kegel (vgl. pegel, peil) is, is minder wsch.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

keil. Aan mnd. kîl ‘wig’ enz. beantwoordt Kil. kiel (Sax. Sicamb. Fris.) ‘cuneus’, Teuth. kijle ‘beitel’, dial. kiel ‘wig’ (Gron. ook = ‘geer’), nnl. kiel ‘(wigvormige) greppel’ met ongediphthongeerde î.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

keil m., uit Hgd. keil (Ohd. kîl) + Mndd. kîl = wig, On. kill = inham; verder Mndd. kêll = inham; z. kil.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

J. du P. Scholtz (1961), Afrikaanse woorde en uitdrukkinge - eiegoed of erfgoed?,

Keil snw. Segsw.: Iemand ’n keil opsit, ’n streep trek, ’n poets bak (veral van ’n meisie wat ’n man ’n bloutjie laat loop of fop: Sy het die kêrel die keil opgesit). – Joos 799: “Spr.: Iemand ’nen hoed passen, foppen, bedriegen.” Sien Ndl. Wdb. VI. 785, en Stoett 1843.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

keil ‘dronken’ (Rotwelsch Keile, Keli)
Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

1052. Een kachelpijp.

Schertsende benaming voor een hoogen hoed, een cylinderhoed, een hoogen dop, een hooge schijf (in A. Jodenh. 43), een tafelronde (in Twee W.B. 71); vijfkop, tonhoed (zeeuwsch). Zie o.a. Jong. 198: Ze zijn dan in het zwart gekleed met witte dassen, maar daar de meesten wel een Zondagsche jas doch geen hoogen hoed bezitten en men zijn evenmensch toch zonder kachelpijp niet behoorlijk de laatste eer kan bewijzen, leenen zij de noodige hoeden; vgl. verder Jong. 203; 235: De op drie haren staande kachelpijp; Boefje, 121: 'k Lus 'm; al het ie nou 'n kachelpijp op ze luizekop, zoo'n kale meheer; P.K. 193; W. Buning, Menschen zooals er meer zijn, bl. 106: Dien (hoed) had hij den heelen dag bij zich willen houden, omdat hij zei dat het zoo'n mooie zwarte kachelpijp was. Hiernaast is zeer gebruikelijk hoog(e)-zije, o.a. in Lev. B. 4; Mghd. 137; Lvl. 191: De oud-zeeofficier heeft de hooge zije op; Nkr. VII, 15 Mrt. p. 2; 4; Jord. 283: Een gedrochtelijk manspersoon met een driekwart-meter hoog-zijden hoed van bordpapier..... de hoog-zij lokte gierend kabaal; Ndl. Wdb. VII, 836; Harreb. II, LXXXIII: een bovenkamer met twee verdiepingen. Dialectisch ook hondehokj(e), fri. hounehokje(n); Molema, 162: Hebje je hondje vermoord of Is je hondje dood, dat je het hokje op je hoofd hebt? In Zuid-Nederland spreekt men van hondekot, hondskot; hij zal zijn hond verkocht hebben, want hij heeft zijn kot op, van iemand die een cylinder-hoed op heeft (Antw. Idiot. 569; De Bo, 437; Tuerlinckx, 272; Waasch Idiot. 294); zijnen hond verkocht hebben, een hoogen hoed dragen (Rutten, 94; Claes, 122). Ook spreekt men aldaar van zijn buis of buize; vgl. Waasch Idiot. 149: Hij heeft zijn buis op, als 't kermis is; Teirl. 234. Overeenkomstige namen kent men in andere talen; vgl. fr. tuyau de poêle; pot à beurre; tube à haute pression; hd. Angstróhre; Rammröhre; Dampfschornstein, enz. (Schrade, 341); eng. stove-pipe (hat), chimney pot(hat), tallhat, tophat (Burvenich, 78); topper tile; fri. faitonne (phaëton).(Aanv.) Ook keil wordt als naam voor een hoogen hoed gebruikt (Ndl. Wdb. VII, 2061).

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut