Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

kei - (steen; uitblinker)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

kei zn. ‘steen; uitblinker’
Mnl. in de toenamen van paulus keyacker ‘kei-akker’ [1272; VMNW], hanninus keie [1281; Debrabandere 2003], dan het zn. in keyen ende stene ‘keien en stenen’ [ca. 1350; MNW]; nnl. kei ‘uitblinker’ [1923; WNT].
De oorspr. betekenis is ‘wigvormige steen’ en het woord is ontwikkeld uit Proto-Germaans *kagi- en verwant met → keg en → kegel.
Nnd. kei ‘(langwerpige) steen’.
kei- voorv. ‘zeer’. Nnl. in keihard ‘zeer hard’ [1872; Van Dale], overdrachtelijk in kei-harde waarheden [1908; Groene Amsterdammer]. Pas sinds de jaren 1990 ook in combinatie met andere bn., zoals in keigoed [1990; corpus ANW], keitof [1995; corpus ANW], het is hier keileuk [2002; corpus ANW]. De oudste combinatie uit deze reeks, keigoed, kan men nog als contaminatie van keihard en steengoed opvatten. Daarna is kei- in de spreektaal productief geworden.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

kei* [rolsteen] {kei, kay 1314-1500} oostfries kei; het woord hoort kennelijk bij kegel en de grondbetekenis zal zijn geweest ‘kegelvormige steen’.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

kei znw. m., mnl. keye, kei, oostfri. kei ‘(langwerpige) steen’; is de oorspr. bet. ‘wigvormige steen’ (bijv. naar onder toegepunte keien voor bestrating), dan kan het uit *kagi ontstaan zijn en dus verwant zijn met keg (mnl. kegel betekent ook ‘kei’). — Mogelijk, maar minder waarschijnlijk is verwantschap met kiezel.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

kei znw., mnl. keye, kei (m. v.?). = oostfri. kei “steen”, vooral “langwerpige steen”. Deze bet. kan worden aangevoerd voor verwantschap met keg, kegel: de grondvorm zou dan *kaʒi- zijn en de oudere bet. “puntige, wigvormige steen”. Vgl. ook Kil. keghel “kei” (zie kegel). Anderen combineeren kei met kiezel: dan was de grondvorm *kaijô-; vgl. dan ook mnl. keisel “keisteen” (nog dial.: N.Holl.).

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

kei v., is een Fri. vorm van keg.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

kej (zn.) kei; Middelnederlands key <1350>.

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

kei bn., keihard, i.h.b. gezegd van een opgepompte bal.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

kei ‘rolsteen’ -> Fries kei ‘rolsteen’;? Duits dialect Käi ‘steen’; Frans dialect kêkète; kêke, kêkê ‘kleine ronde steen, keitje waarmee kinderen spelen; soort knikkerspel’; Japans kei(so) ‘silicium, lett. kei(stof)’; Chinees gui ‘silicium’ .

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

kei* rolsteen 1350 [MNW]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

980. Iemand de (of van de) huig lichten,

d.i. iemand de huig door aanraking met zout of peper doen inkrimpen of ook door het hoofd geweldig heen en weer te schuddenHet eigenlijke lichten geschiedt door iemand een enkel haartje uit de kruin van het hoofd te trekken; dat moet dan, volgens 't volksgeloof, juist het middelste haartje van 't hoofd zijn, anders baat het niet. En dit haartrekken is het eigenlijke lichten, oplichten van de huig. Immers men meent dat de huig, binnen door 't hoofd heen, juist aan dit haartje verbonden is; zie W. Dijkstra II, 263; Volkskunde XXI, 113.; fri. immen fen 'e hûch lichten; in Zuid-Nederland iemand den huik brekenSchuermans, 197 b; Antw. Idiot, 583.; bij overdracht iemand op bedriegelijke wijze het zijne afhandig maken; op zaken toegepast: ze ledigen. De uitdr. is in de 17de eeuw zeer gewoon. Bij Sartorius III, 1, 65 lezen wij: de huych is hem al gelicht, humi haurit; zie verder Tuinman I, 184: hy is van den huig gelicht, de geldzak is hem ontfutzelt, zijn ponk (fri. ponge) is gekaapt; Halma, 230: iemand van de huich lichten, hem doorstrijken, bedriegen, knappenBed. Huish. 32: Laat ons een boetelje zamen van de huig lichten, een fleschje knappen. of betrekken; C. Wildsch. III, 287: Een fijne knevel, die niet ligt van den huig zoude te ligten zijn; V. Janus, III, 66; Ndl. Wdb. VI, 1220. De oorspr. bet. schijnt te zijn: iemand pijnlijk aandoen (vgl. no. 65) en vandaar hem van zijn geld berooven, hem snijden, hem bedriegen (vooral in geldzaken). Men zou dit kunnen opmaken uit de synoniemen: iemand een gat in den neus boren (Winschooten, 4; ook in Antw.); iemand van de kei (of van den steen) snijden (Sewel en Halma) en iemand lubben (Halma, 328), iemand snuiten, iemand een kies trekken (Sewel), iemand een tand, een kaaktand lichten, lossen, trekken (Schuerm. 710; De Bo, 476; 1132); iemand een hak zetten, die alle iemand bedriegen, afzetten beteekenen. Ook in het Oostfri. de hûk ligten, jemand betrügen und ihn rein ausziehen; Eckart, 221: en de Hûke lichten; zie ook Draaijer, 117. Dat men later zeide ‘iemand van de huig lichten’ kan hieraan zijn toe te schrijven, dat men tevens dacht aan ‘iemand van iets berooven’Zie voor dergelijke gevallen van contaminatie Noord en Zuid XX, 417 vlgg..

1118. Iemand op de keien zetten (of smijten),

d.w.z. iemand op straat, aan den dijk zetten, hem de laan uitsturen (zie aldaar), van werk berooven. Vgl. Kent. 38: Hij mot ons kenne op de keien zetten; bl. 140: Twintig jaar geleje heb je me op de keien gesmeten, vuilik! Nkr. III, 21 Nov. p. 3: Kuyper is met zijn intriges op de keien nu gezet; De Arbeid, 1 Oct. 1913, p. 1 k. 1: Met het gevolg dat enkele timmerlieden op een gniepige manier op de keien zouden worden gesmeten; evenzoo De Arbeid, 12 Nov. 1913, p. 1 k. 3; 18 Febr. 1914, p. 4 k. 1; Prikk. V, 16: Ik kan haar toch zoo maar niet op de keien zetten (bedanken, een meisje). - Iemand die op de keien gesmeten wordt staat, raakt, gaat, komt of ligt op de keien; vgl. Speenhoff VII, 77; De Arbeid, 17 Dec. 1913, p. 1 k. 1: Het zal ons niet verbazen, wanneer met het einde van het jaar de meerderheid der vakgenooten op de keien staat; De Arbeid, 10 Jan. 1914, p. 4 k. 2: Aanhoudend geklaag van hen, die al geruimen tijd op de keien staan; Nkr. V, 17 Juni p. 6: Elias, de diplomaat, weldra op de keien staat; De Arbeid, 1 April 1914, p. 4 k. 3: Als men zoo lang op de keien moet loopen en dan moet rondkomen met een uitkeering van de medearbeiders; Het Volk, 6 April 1914, p. 2 k. 4: De arbeiders aan die ondernemingen zijn even gemakkelijk en even moedig de keien opgegaan, als hun overige kameraden; Het Volk, 18 Dec. 1913, p. 1 k. 1: En toch is het in de tegenwoordige maatschappij voor een rechter, die op de keien raakt, gemakkelijker weer ergens onder dak te komen dan voor een arbeider; 21 Jan. 1914, p. 5 k. 4: Als je ook maar één van die menschen in mijn huis toelaat, ga je op de keien!; Nkr. I, 20 Juli p. 6: Ze zouden zelf op de keien komen, als ze je de hand boven 't hoofd hielden; Nkr. V, 27 Mei p. 6: Bovendien was ik bang op de keien te komen; evenzoo Het Volk, 31 Jan. 1914, p. 5 k. 3. Iemand op de keien laten staan, hem in de verlegenheid laten (Köster Henke, 31). Als variant komt ook voor op de bikkels staan of de bikkels opvliegen, o.a. in De Arbeid, 21 Febr. 1914, p. 1 k. 2: Er staan nu ± een 330 vakgenooten op de bikkels; 28 Febr. 1914, p. 3 k. 1: Ja, meermalen is het voorgekomen dat een aantal leden van onze organisatie werkzaam was bij den voorzitter van den R.K. Patroonsbond, en zoodra hij dit bemerkte, vlogen onze menschen de bikkels op. Zie no. 425.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut