Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

keet - (loods; wanorde)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

keet 1 zn. ‘hut, loods’
Mnl. kete ‘tijdelijk eenvoudig verblijf’ in ter erden keten ‘bij de hut van de herders’ [1287; VMNW], zoutkete ‘loods waar zout wordt opgeslagen’ [1383; MNW soutkete]; vnnl. keet ‘tijdelijk verblijf, i.h.b. voor werkvolk’ in die aldaer een keetgen upwerpen om te wercken om een dachuyere ‘die daar een kleine keet neerzetten, bouwen om er voor een dagloon te werken’ [1512; WNT], ook voor leidinggevend personeel in de aldaar opgerichtene keet ..., alwaar eenige ververschingen gepresenteerd wierden [1808; WNT].
Herkomst onduidelijk.
Op grond van Nederlandse dialectvormen (FvW) reconstrueert men lange -ē- en dus pgm. *kaitō-. Het woord kan dan ablautend verwant zijn met pgm. *kitjō-, waaruit mnl. kitte ‘kruik, kan’, zie → kit 1, en wellicht mnd. kitzen, ketzen ‘klein aangebouwd vertrek’.
Zie ook → keet 2.

keet 2 zn. ‘wanorde, lol’
Nnl. keet ‘herrie, wanorde’ in et was en keet ‘het was een herrie’ [1904; Stoett], ‘menigte, bende’ in wat een keet gajes [1906; Boeventaal], vandaag lijkt de heele keet wel vervloekt, veel herrie was er in de keet [beide 1909; Stoett], keet maken (fokken, schoppen, trappen) ‘drukte maken, herrie schoppen’ [1915; Stoett].
Hetzelfde woord als → keet 1. Uit de betekenis ‘overvolle keet’ groeide de betekenis ‘grote hoeveelheid, menigte, een heleboel, troep’ en aangezien een menigte drukte en lawaai meebrengt en een heleboel makkelijk een ‘rommelige boel’ wordt, kreeg het woord de pejoratieve betekenis ‘verwarring, herrie’ in keet schoppen, keet trappen. Een vergelijkbare uitdrukking is bijv. Gronings kantoor schuppen ‘lawaai maken, twisten’. Dezelfde betekenisverschuiving zien we in woorden als troep, bende, boel.
keten ww. ‘drukte maken’. Nnl. keten ‘id.’ [1950; Stoett]. Afleiding van keet.
Lit.: Debrabandere 2000, 67-68

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

keet1* [schuur] {kete, keet 1287} ablautend naast kit1.

keet2* [herrie] {1901-1925} hetzelfde woord als keet1 [hut, loods], waarbij de betekenis zich ontwikkelde via ‘onordelijk verblijf’ over ‘rommel’ tot ‘herrie’.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

keet znw., mnl. kête v. (ê blijkens de nnl. dialecten). Ablautend met kit.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

keet v., Mnl. kete: z. kit.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

keet ‘schuur’ -> Duits dialect Keet ‘bouwvallig huis’;? Deens kætte ‘schuur voor vee; passage, steegje’; Zweeds kätte ‘schuur’ (uit Nederlands of Nederduits); Papiaments keet, ket ‘(tijdelijk) gebouwtje of schuurtje’; Sranantongo keit ‘schuur’.

keet ‘(in Indië) meisje’ -> Petjoh keet, keetje ‘meisje’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

keet* schuur 1287 [CG NatBl]

keet* herrie 1904 [WNT]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

1117. Keet.

In eigenlijken zin verstaat men onder een keet een loods, een hut van polderwerkersPropria Cures, XXVI, 171: Zoo is er in Utrecht een heele herrie in de hut., waar het nu niet zoo bijzonder ordelijk uitziet; vandaar de beteekenis troep, warboel, rommel, herrie, pan, lawaai, die het woord thans veelal heeft; in Zuid-Nederland verstaat men er ook een ellendig huis, een krot onder; vgl. Teirl. II, 122: keete, ellendig huis; De Bo, 507: keete, gering huis, slechte woning, huis van ontucht. - V. Schothorst, 151: et was en keet, 't was een herrie; Van Ginneken, Handb. I, 490; Nkr. VI, 14 Sept. p. 2: Van de S.D.A.P. en haar geheimen gesproken, zei toen m'n zwager, dat zal een keet worden op dien rooden Dinsdag; Köster Hencke, 31: keet, herrie, drukte, janboel; ook menigte: wat een keet gajes (volk); evenzoo in Jord. 60: kinderkeet; in Ppl. 217: 'n Heele keet knechte; bl. 9: Vandaag lijkt de heele keet wel vervloekt; Nkr. III, 18 April p. 4: Veel herrie was er in de keet, wat juichten onze kranten; 5 Sept. p. 4: Maak nu geen herrie in de keet, zoek liever arbitrage; De Arbeid, 30 Mei 1914, p. 4 k. 1: Het wordt anders een keet met al die verordeningen. Ook als bepaling van maat in Ppl. 4: Ik voel me nou 'n heele keet (vgl. een heele boel, een heele rommel) beter. Uit deze beteekenis rommel, herrie heeft zich die van lawaai, drukte, pret ontwikkeld, evenals bij herrie (oorspr. herberg? zie no. 902), het Vlaamsche kot, houten huisje, maar ook leven, gedruisch: Een kot houden (van al duivels), er geweldig huishouden. - Was dat daar een kot! (De Bo, 563; Schuermans, 283; Teirl. II, 176, enz.), en het Gron. kantoor in kantoor moaken, schuppen, leven, alarm, gedruisch, twist (Molema, 191). Ook ‘pan’ vereenigt, evenals keet, de beteekenis menigte en herrie, lawaaiBijvorm van lavei van 't ww. laveien, over straat zwaaien (Franck-v. Wijk, 373). in zich. In den zin van herrie, drukte komt keet voor in verbinding met de ww. fokken, maken, schoppen en trappen; waaarnaast ook keetjes (grapjes) maken en een wkw. keten wordt aangetroffen; zie Van Ginneken, Handb. I, 492; Weekbl. voor Gymn. en Middelb. Onderwijs VIII, 1326; IX, 420-421; 423; syn. is deining fokken en berzie makenBerzie (ook birzie) heeft ook de beide beteekenissen ongeordende troep en drukte, herrie. Voor de afleiding (vgl. nd. birsen, het onrustig heen en weer loopen van het vee) zie Ndl. Wdb. II, 1938 en vgl. Tijdschrift, XXXVII, 64: berzieboel en wanberzieboel..(Aanv.) In de 17de eeuw is keet in den zin van huis, woning reeds bekend in de uitdr. iemand de keet uitboenen (Winschooten, 103). Zie verder Ndl. Wdb. VII, 2017.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut