Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

keer - (maal)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

keer zn. ‘maal’
Mnl. keer ‘wending, verandering, terugkeer’ in sonder kir ‘zonder omwegen’, heuet haren kir genomen ‘is weggegaan’ [beide 1265-70; VMNW], ‘wijze; beurt, gelegenheid’ in sochten in meneghen kere ‘zochten op vele manieren’, God andworde ten kere ‘... op zijn beurt’ [beide 1285; VMNW] en in in enen kere ‘op een keer, eens’ [1300-25; MNW-R]; vnnl. het is nu mijnen keer ‘het is nu mijn beurt’ [1573; Thes.], in yeder quartier een keer ... doen ‘elk kwartier een ronde doen’ [1614; WNT], den eersten keer ‘de eerste maal’ [1669; WNT].
Mnd. kēr; ohd. kēr (vnhd. Kehr); oe. cierr; afleiding van → keren.
Van de rijke betekenisschakering die het woord keer in het Middelnederlands nog had, is in de huidige standaardtaal weinig overgebleven. In het algemeen betekent keer ‘maal’ en wordt het voorafgegaan door een telwoord. Een oude betekenis komt nog voor in enkele vaste verbindingen, bijv. een keer nemen ‘veranderen, omslaan, een wending nemen’, gedane zaken nemen geen keer, enz.. Daarnaast ontwikkelde de combinatie een keer ‘een gelegenheid’ zich tot een modaal partikel dat net als → eens 1 een uiting afzwakt, zoals in zijn tijd is niet zoo kostbaar als die van een dokter, zoodat hij wel eens een keer vergeefs kan loopen [1858; WNT gang]. Dit gebeurde vooral in de Zuid-Nederlandse dialecten en is goed te vergelijken met Duits mal < einmal ‘eens’.
Lit.: Bloem 2000, 59-62

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

keer znw. m., afgeleid van het ww. keren 1, mnl. keer, ohd. cher ‘wending, draaiing’. Hetzelfde woord ook in de uitdrukking te keer gaan (en niet met Dupont LB 13, 1921, 34 te verbinden met de groep van karig).

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

keer znw. Ten onrechte heeft Dupont Leuv. Bijdr. 13, 34 in te keer gaan ‘luid razen, klagen’ een ander woord vermoed, dat met got. kara ‘zorg’ enz. (zie karig) zou ablauten.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

keer ‘telkens terugkerend tijdstip waarop iets gebeurt; wending, verandering’ -> Frans dialect kêre ‘voorkomen, uiterlijk van mens of planten’; Baskisch kera ‘uiterlijk, gelijkenis; gestalte, vorm’ ; Negerhollands keer ‘telkens terugkerend tijdstip waarop iets gebeurt’.

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

2621. Gedane zaken nemen geen keer,

d.w.z. als iets geschied is, valt er niets meer aan te doen, is het niet ongedaan te maken en moet men de gevolgen dragen; vgl. Odussea VI, 9, 249; lat. factum fieri infectum non potest; praeterita mutare non possumus; mnl. ghesciede saken en mach men onghesciet niet maken; Vondel, Herkules, 750: Niemant kan wat eens gedaan is, weêr ontdoen; Sewel, 382: Gedaane dingen hebben geen keer, done things can 't be done over again; Harreb. I, 390; Ndl. Wdb. III, 2729; VII, 1963; hd. was geschehen ist, kann mann nicht wenden; fr. à chose faite il n'y a pas de remède; eng. there is no help for spilt milk.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal