Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

kazuifel - (opperkleed van een priester)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

kazuifel zn. ‘opperkleed van een priester’
Mnl. eerst in nevenvormen, wrsch. al cassle als dat moet worden gelezen voor kaffle ‘kazuifel’ [1240; Bern.] en casule in gaf eene casule ende garusel ‘gaf een kazuifel en misgewaad’ [1291-1301; CG I, 178]; dan casofle, casufle in nochtan ne hadde hi gene casoffle an ‘hij had echter geen kazuifel aan’ [1300-50; MNW-R], die casufle ... bediedt caritate ende minne ‘het kazuifel betekent caritas en liefde’ [1340-60; MNW-R], ook casughele ‘kazuifel’ [1340-60; MNW-R]; vnnl. casuyfels [1568; WNT].
Ontleend aan middeleeuws Latijn casubula [6e eeuw; Toll.], met in het Nederlands, net als in → tafel uit Latijn tabula, verzwakking van de eindlettergreep -ula via -(e)le tot -el, en aanpassing aan het (Oud)nederlandse klanksysteem waarin de b tussen klinkers een v wordt en vervolgens voor l stemloos wordt, zoals ook in → wafel dat bij → weven hoort. Casubula is een van de vele nevenvormen van Laatlatijn casula ‘mantel met capuchon’, later ‘omhullend kledingstuk zonder mouwen, kazuifel’, verkleinwoord van casa ‘huis(je)’, zie → casino.
Mnl. en vnnl. casule is evenals Duits Kasel ontleend aan middeleeuws Latijn casula; mnl. casughele aan casucula. Frans chasuble en Engels chasuble gaan evenals kazuifel terug op middeleeuw Latijn casubula, Spaans casulla is mogelijk ontwikkeld uit de nevenvorm casulula.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

kazuifel [deel van misgewaad] {casufle 1350} < middeleeuws latijn casubula, casuvula [mantel met capuchon], verkleiningsvorm van casula [bijgebouw, monnikscel, en dan metaforisch: kazuifel], verkleiningsvorm van casa [hut, huisje, in laat-lat.: huis]. De lat. vorm casula is geleend als middelnederlands casule {1270}.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

kazuifel znw. m., mnl. casūfel, casūfle, carsūfel, corsūfel, casūle < pikard. casuble (nfra. chasuble), of direct < mlat. casubla ‘mantel met kap’.

Uit mlat. casula komen mnl. cāsele, cāsule, mnd. kāsel, mhd. kasele, kasel ‘kazuifel, miskleed’ en uit mlat. casucula mnl. cāsûghele, mhd. kāsūgele.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

kazuifel znw., mnl. casûfel (naast casufle, casuffle e.a. vormen) v. Wsch. direct uit mlat. casubula (naast casibula; van casa “hut”?), ofschoon formeel ontl. uit een noordfr. vorm met anlautende c, k = centraalfr. chasuble ook mogelijk is. Uit mlat. casula komt mnl. casele, casule (û?) v., mhd. kâsel(e) v., mnd. kasel m. “kazuifel, miskleed”, uit mlat. casucula mnl. casûghele, mhd. kasugele v. “id.”.

[Aanvullingen en Verbeteringen] kazuifel. Adde: ags. câsul “byrrum” < mlat. casula.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

kazuifel. Uit mlat. casula ook ags. casul (m.?) ‘byrrum’. Vgl. v.Wijk Aanv.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

kazuifel v., uit Fr. chasuble, van Mat. casubulam (-a), afgel. van casa = huis (z. kazak).

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

kazuifel (Latijn casubula)
Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

kazuifel deel van misgewaad 1350 [MNW] <ME Latijn

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut