Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

kaviaar - (gezouten kuit van de steur)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

kaviaar zn. ‘gezouten kuit van de steur’
Vnnl. zo veel Stueren dat men van den Kyten maect een spyze oft zwarten Caes ware oft dier ghelijcke,... ghenaemt Caviare ‘zoveel steuren dat men van de kuit een spijs maakt die lijkt op zwarte kaas of iets dergelijks, genaamd kaviaar’, in een beschrijving van een reis uit 1481-85 [voor 1525; van der Meulen 1942b], talck, was ende cavear ‘talk, was en kaviaar’ [1595; WNT], kaviaer [1677; WNT].
Ontleend aan Venetiaans caviari [1319-20; Georgacas 1978, 206] of Italiaans chaviari [1437; id.] (thans caviale). Traditioneel veronderstelt men ontlening via Turks havyar (moderne vorm) ‘kaviaar’ [15e eeuw; id., 221] aan Perzisch chāviyār ‘kaviaar’, dat gevormd zou zijn uit chāwī ‘smaak, genot’ of chāya ‘ei’ met -ār ‘drager’. Het woord chāwī is echter pas in het Nieuwperzisch geattesteerd en een betekenis ‘drager van smaak, genot’ is niet erg expliciet. Het woord chāya is problematisch, omdat er geen /v/ in voorkomt en omdat de betekenis ‘ei-drager’ de vis zelf betreft. Bovendien liggen de dateringen van de oudste Europese attestaties, te weten Middelgrieks chaviárion en chaviárin [9e resp. 12e eeuw; Georgacas 1978, 190], ruim voor de periode van intensief contact tussen Turken en Grieken. Georgacas (1978, 225-237) beschouwt daarom de Middelgriekse vormen als oorspronkelijk en verbindt deze met Nieuwgrieks avgó ‘ei’, een dialectische variant van Oudgrieks *ōwión, klassiek Grieks ōión. Met een collectief-achtervoegsel -árion/-árin (< Latijn -ārium) zou dit *aviárin zijn geworden. De initiële ch- zou zijn ontstaan via een samenstelling *tarich-aviárin ‘eitjes van de steur’, waarin het eerste lid afgeleid is van tárichos, tárichon ‘vlees van de steur’, en die werd geherinterpreteerd als *tarich-chaviárin.
De vroegste attestatie in West-Europa is een latinisering: middeleeuws Latijn cavealium [1290; Georgacas 1978, 251]. Daarna verschijnen de Venetiaanse en Italiaanse vormen. Andere West-Europese talen hebben het woord en het product vanaf de 15e eeuw net als het Nederlands via Italië leren kennen: Frans en Spaans caviar, Duits Kaviar, Engels caviar(e). Zuidoost-Europese talen en talen in het Midden-Oosten hebben Middelgrieks chaviárin ontleend via Ottomaans- en modern Turks havyar (moderne spelling): Servisch hàjvār, Bulgaars havyar, later hayvér, Albanees havyar, Nieuwperzisch chāviyār.
Proto-Slavisch *jĭkro of *jŭkro ‘kaviaar’ (waaruit o.a. Russisch ikrá) en Iers iuchair zijn wrsch. erfwoorden (zie → lever) en dus niet verwant met kaviaar.
Lit.: D.J. Georgacas (1978), Ichthyological terms for the sturgeon and etymology of the international terms botargo, caviar and congeners: a linguistic, philological, and culture-historical study, Athēnai

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

kaviaar [viskuit] {1595} < frans caviar < verouderd italiaans caviaro < byzantijns-grieks kabiarion < turks havyar. Misschien is de oorsprong te vinden in de havenplaats Kaffa, thans Feodosija, op de Krim.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

kaviaar znw. m., sedert het eind der 15de eeuw bekend (R. van der Meulen Ts. 62, 1943, 135-144) < turks chāvijār, nperz. chāviyār eig. ‘kuitdrager’ (W. Eilers, Fschr. J. Nobel 1959, 48).

Hesseling Nph. 6, 1921, 213 vlgg. noemt als oudste vorm gr. chabiári (12de eeuw) en betwijfelt of het woord oorspr. turks is; het is dan ook eig. perzisch.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

kaviaar znw. Een in vele westeurop. talen voorkomend woord, teruggaand op nieuwgr. chaviári, turksch (c)havjar. ’t Russ. woord voor “kaviaar” is ikrá.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

kaviaar. De oudst bekende gr. vorm is khabiári (12e eeuw): Hesseling Neophil. 6, 213 vlg. Het is twijfelachtig of het woord ospr. turks is.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

kaviaar v., gelijk Hgd. kaviar en Eng. caviare, Fr. caviar, It. caviare, uit Ngr. kaviárion, Turk. hāvyār, eig. een adj. van Kafa, ouden naam van Feodosia aan de Krim, van waar de kaviaar vooral uitgevoerd werd.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

kaviaar (Frans caviar)
Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

kaviaar ‘viskuit’ -> Indonesisch kaviar ‘viskuit’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

kaviaar viskuit 1481-1485 [TNTL 1943, 135] <Turks

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut