Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

kauwen - (met de tanden vermalen)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

kauwen ww. ‘met de tanden vermalen’
Mnl. cowen, kewen ‘kauwen’ [1240; Bern.], cuwen in alle dire ... ruren die vonderste. kenebacken. als si kuowen ‘alle dieren bewegen de onderste kaak als ze kauwen’ [1270-90; CG II, Moraalb.], en si dat si wel gecuut werde, si en mach niet verswolgen werden ‘tenzij het goed gekauwd wordt, kan het niet ingeslikt worden’ [1393-1402; MNW-P], keuwen [ca. 1440; Harl.], cauwen [ca. 1450; MNW], couwen [1477; Teuth.]; vnnl. uitsluitend kauwen.
In het Middelnederlands komt dit woord met verschillende klinkers voor, die misschien gedeeltelijk te verklaren zijn uit het feit dat dit oorspr. een sterk werkwoord is geweest, wat overigens alleen nog blijkt in het Oudengels en het Oudhoogduits. De vorm cuwen komt misschien uit het Middelhoogduits. Voor de relatief jonge variant cauwen, met een voor werkwoorden zeldzame diftong die in het Nederlands niet uit een van de eerdere vormen verklaard kan worden, geldt misschien hetzelfde. Mogelijk is kauwen een klankaffectief woord, wat de afwijkende klinkers en onregelmatigheid kan verklaren. Er is wrsch. verband met → knauwen.
Ook in de andere Germaanse talen niet geheel met elkaar overeenkomende vormen: mnd. keuwen; ohd. kiuwan (mhd. kiuwen, vnhd. käuen, nhd. alleen nog in wiederkäuen ‘herkauwen’; daarnaast mhd. (oorspr. Midden-Duits) kūwen, nhd. kauen); oe. cēowan (me. chewen, ne. chew); on. (met anlaut wrsch. o.i.v. synoniem tógla) tyggva, tyggva (nzw. tugga); < pgm. *keuw-(j)an- < *kewan-.
Verwant met: Oudkerkslavisch žĭvati (1e pers.ev. žuju) ‘kauwen’ (Russisch ževát'); Tochaars B śuwam ‘eten’; < pie. *ǵieuH-, *ǵiuH- (LIV 168).

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

kauwen* [met de kiezen vermalen] {cauwen, couwen 1201-1250} oudhoogduits chiuwan, oudengels ceowan (engels to chew); buiten het germ. latijn gingiva [tandvlees], russisch-kerkslavisch žĭvati, litouws žiaunos [kaak], perzisch jāvīdan [kauwen].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

kauwen ww., mnl. cauwen naast couwen, cūwen. De vorm cūwen kan beantwoorden aan md. kūwen (> nhd. kauen), maar ook aan ohd. kiuwan, mnd. keuwen, oe. cēowan (ne. chew) < germ. *keuwan < *kewan. (Voor on. tyggja> tyggva zie AEW 602). — osl. živą, živati ‘kauwen’, lat. gingiva ‘tandvlees’, toch. śwā ‘eten’. — Zie: kieuw en koon.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

kauwen ww. Ohd. chiuwan (nhd. wieder-käuen), ags. cêowan (eng. to chew) “kauwen” veronderstellen een germ. *keuwanan > *kewanan; hierbij sluit zich met anlautvervorming aan on. tyggva, tyggja “id.” uit *keuwianan. Mnl. couwen, cûwen “id.” (nog vla.) kan = ohd. chiuwan zijn. De grondvorm van ’t verwante kauwen, mnl. cauwen staat niet vast. Andere vormen zijn nog ohd. conôn en mnd. keuwen = achterh. kewwen “kauwen”. Nhd. kauen “id.” komt uit ’t Md.: mhd. (middelrijnsch) kûwen. Verwant is ksl. žĭvą, žĭvati “kauwen”. Men neemt een idg. basis gjeu- aan, waarvan ook lat. gingîva “tandvleesch”, arm. kiv “mastik, boomhars”, nperz. ǰâvad, žâvad “hij kauwt” kunnen komen. Zie kieuw.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

kauwen o.w., met au voor ou en dit uit û, Mnl. couwen, cuwen, Hgd. kauen, Eng. to chaw; daarnevens met umlaut Ohd. kiuwan (Nhd. käuen), Ags. céowan (Eng. to chew), verder verwant met kieuw en misschien ook kaak + Perz. jāvad = kauwen, Lat. gingiva = tandvleesch, Osl. zívati = kauwen.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Debrabandere (2011), Limburgs etymologisch woordenboek: de herkomst van de woorden uit beide Limburgen, Zwolle

kujen, kuien, ww.: kauwen; eten. Ook Kortrijks kujen ‘kuwen, kauwen’. Met glijklank j i.p.v. w uit Mnl. cuwen, couwen ‘kauwen, knabbelen’, Vnnl. kuyden (Kiliaan). Ohd. kiuwan, Mhd. kûwen, Mnd. keuwen, Oe. cêowan, E. chew < Germ. *keuwan.

F. Debrabandere (2002), West-Vlaams etymologisch woordenboek: de herkomst van de West-Vlaamse woorden, Amsterdam

kuwen (DB), kujen (K), ww.: kauwen. De Kortrijkse vorm met de daar normale j-glijder (vgl. dujen, ruje, grujen, lujen ‘luiden’, spujen). Mnl. cuwen, couwen ‘kauwen, knabbelen’, Vroegnnl. cuwen ‘mascher’ (Lambrecht), kuyden, knauwen (Kiliaan). Voor uw/ouw vgl. duwen/douwen, bruwen/brouwen, huwen/houwen. Ohd. kiuwan, Mhd. kuwen, Mnd. keuwen, Oe. cêowan, E. chew < Germ. *keuwan. Syn. mummelen. Freq. kuwelen/kujelen. Zn. m. kuw, kuuj, kujel ‘propje gekauwd brood, papier’.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

kou I: ww., met tande fynmaal; Ndl. kauwen (Mnl. couwen/cuwen, naas cauwen), Hd. kauen/käuen (in wiederkäuen), Eng. chew, mntl. verw. aan kief/kieu (v. ’n vis).

Thematische woordenboeken

E. Sanders (2000), Jemig de pemig!: de invloed van Van Kooten en De Bie op het Nederlands, Amsterdam

Goed kauwen, dat je eten gelijkmatig in je bloed komt

Het idee dat goed kauwen bevorderlijk is voor de spijsvertering, is al behoorlijk oud. Het is door verscheidene voedselgoeroes uitgedragen. De bekendste was de Amerikaan Horace Fletcher (1849-1919). In zijn boek The ABC of Nutrition, dat verscheen in 1903, propageerde hij dat iedere hap 32 keer moest worden gekauwd — één keer voor iedere tand of kies. Hij werd er wereldberoemd mee en telde John D. Rockefeller en Thomas Edison onder zijn aanhangers. Nog altijd vermeldt de Grote Van Dale het werkwoord fletcheren voor ‘voedsel langdurig kauwen’.

In Nederland is het belang van goed kauwen het nadrukkelijkst naar voren gebracht door Van Kooten en De Bie. Zij deden dat in 1977 bij een live-optreden in de Houtrusthallen in Den Haag, in de beroemde sketch waarin de Klisjeemannetjes in plat Haags hun seksleven bespraken. ‘Weet je wah belangrijk is als man zijnde?’, begint de superpotente Van Kooten tot de in dit opzicht kwakkelende De Bie. ‘Heel belangrijk is verstandig eten. Drink jij veel?’

De Bie: ‘Drinke? Nou nee, niet overdreven veel. Ik bedoel ik drink nooit meer dan ik eet. En alleen puur natuur, dus bier en jenever en anders niks.’

Van Kooten: ‘En goed kauwe da’s belangrijk, goed kauwe, hè, dat je eten gelijkmatig in je bloed komp. Goed kauwe is je halve eten.’

Goed kauwe ... dat je eten gelijkmatig in je bloed komp — die zin loopt als een rode draad door de sketch heen en wordt een paar keer herhaald. Want niet goed kauwen kan zeer ingrijpende gevolgen hebben. Klisjeemannetje Van Kooten:

Je eet te veel zonder goed te kauwe, hè, dus het wordt niet gelijkmatig opgenomen in je bloed, je rookt te veel, en je drinkt te veel. Daardoor ken jij niet regelmatig d’r roompotje peilen, daardoor schiet jij weer in de stress, je gaat nog meer roken en drinken, je kauwt van de zenuwen helemaal niet meer, je slikt de hele rotzooi gewoon zo door, je vrouw komt steeds meer te kort en op een dag kom jij onverwachts thuis, je vrouw ligt in bed, jij doet de klerenkast open, en daar staat zóóó’n vibrator.

Overigens wordt de uitdrukking soms abusievelijk toegeschreven aan Jacobse & Van Es. De Telegraaf deed dat in 1997, aan de vooravond van de Elfstedentocht, in een artikel over de eetgewoontes van wedstrijdschaatsers. De kop luidde ‘Meer dan een kwestie van goed kauwen’ en in de eerste alinea stond:

Gewoon een kwestie van goed kauwen. Dat het eten gelijkmatig in je bloed komt. Was het leven maar zo eenvoudig als het Haagse duo F. Jacobse en Tedje van Es het halverwege de jaren zeventig verwoordde, zucht Mons Verkerk, vandaag verantwoordelijk voor de innerlijke mens van de Dasia-formatie. Rijders de broodnodige brandstof laten tanken op een traject van tweehonderd kilometer is niet alleen een kwestie van logistiek, het is bovenal een kwestie van trainen.

Het geheim van wedstrijdschaatsers, zo blijkt, is dat zij in de dagen voor de wedstrijd minder trainen en meer eten. Tot vlak voor de wedstrijd eten zij pasta, rijst en pannenkoeken tot het hun neus uitkomt. En natuurlijk kauwen ze extra goed, want dan komt ’t gelijkmatiger in je bloed.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

kauwen ‘met de kiezen vermalen’ -> Negerhollands kauw, kou ‘met de kiezen vermalen’; Berbice-Nederlands kau ‘met de kiezen vermalen’; Papiaments kou (ouder: kauw) ‘met de kiezen vermalen’; Sranantongo kaw ‘met de kiezen vermalen’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

kauwen* met de kiezen vermalen 1240 [Bern.]

Overige werken

Julius Pokorny (1959), Indogermanisches Etymologisches Wörterbuch, Bern.

g(i̯)eu-, g̑(i̯)eu- ‘kauen’

Npers. jāvīdan ‘kauen’, afgh. žōvạl, žōyạl ds., ‘beißen, nagen’ (iran. *jyav-);
arm. kveni ‘Pechföhre, Lärche’;
aisl. tyggja, -va ‘kauen’ (für *kyggja nach tǫgla ‘kauen’), schwed. tugga, ags. cēowan, nengl. chew, mnd. keuwen, ahd. kiuwan, mhd. kūwen ‘kauen’ (*kewian); ahd. kewa, mhd. kiuwe f. ‘Kiefer, Kinnbacken’; abgeleitet: ags. cēace, afries. ziāke f. (*keukōn) und afries. kēse ‘Backenzahn’, mnd. kǖse, mnl. kūze, ablautend mnl. kieze ds.;
baltoslav. *ži̯aui̯ō ‘kaue’ in:
lit. žiáunos f. Pl. ‘Kiefer’, lett. žaũnas f. Pl. ‘Kiefer, Kinnladen, Kiemen’;
r.-ksl. žuju (*zjou-) und žьvǫ, žьvati (*zjьv-), ačech. žiji, žváti, russ. žujú, ževátь ‘kauen’; dazu (aus baltoslav. *ži̯áunā) bulg. žúna f. ‘Lippe’ und skr. žvȁlo n. ‘Rachen, Engpaß’, žvà́le f. Pl. ‘Gebiß am Zaume’; russ. žvákatь ‘kauen’, žvak ‘Lärchenharz als Zahnputzmittel’;
toch. AB św-ā-tsi ‘essen’ (Pedersen Toch. Sprachg. 43);
vgl. ferner gīu̯- ‘Harz’.

WP. I 642, WH. I 601, Trautmann 372, Lidén Ann. Acad. Scient. Fennicae 27, 119.

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal