Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

katoen - (stof)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

katoen zn. ‘weefsel uit het product van de katoenplant (geslacht Gossypium)’
Mnl. eerst als toenaam van een wever: willelmus cotoen [1272; CG I, 219], dan cotoen ‘zekere geweven stof’ [1284-85; CG I, 849], ook catoen [1351; MNW-P], ook nevenvormen als cottoen, coutoen etc.; vnnl. ook nog kattoen, kottoen [1599; Kil.], maar meestal al katoen.
Via Frans coton [cotun ca. 1160; Rey] ontleend aan Arabisch quṭn ‘katoen’. De overgang o > a vóór beklemtoonde lettergreep is kenmerkend voor Franse leenwoorden in het Nederlands, zie bijv.bazuin en → kantoor.
Nhd. Kattun is ontleend via het Nederlands.
Al in de tijd van Alexander de Grote was in Europa bekend geworden hoe men in India de katoenplant cultiveerde, maar een commercieel product werd katoen pas toen de Arabieren het in de Middeleeuwen invoerden en in de 12e eeuw op grote schaal in Andalusië en Sicilië gingen verbouwen.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

katoen1 [stof] {in de persoonsnaam Willelmus dictus Cotoen [Willem genaamd Cotoen] 1272, cot(t)oen 1252, catoen 1401-1500} < frans coton < arabisch quṭn. In hem van katoen geven [iem. flink afranselen] betekent katoen ‘lampenkatoen, katoengaren’, dat in grote rollen wordt opgewonden en een zeer lange lijn vormt, zodat bedoeld is ‘ruimschoots’.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

katoen znw. o. m., mnl. cottoen, cautoen, catoen (met a > o evenals in kantoor) < fra. coton (sedert de 12de eeuw) < arab. ḳuṭun (dat zelf weer uit het egyptisch of indisch overgenomen is, vgl. hebr. kuttōneth, waaruit gr. chitṓn ‘mantel’, vgl. Lokotsch nr. 1272).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

katoen znw. (de, het), mni. cot(t)oen, coutoen, cautoen, ook al catoen o. Voor de a vgl. kantoor. Uit fr. coton “katoen”. Een in allerlei talen overgenomen woord, op arab. (al-) quṭun “katoen” teruggaand.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

katoen o., gelijk Hgd. kattun en Eng. cotton, uit Fr. coton, dat met andere Rom. vormen, van Ar. qutun = boomwol.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Debrabandere (2010), Brabants etymologisch woordenboek: de herkomst van de woordenschat van Antwerpen, Brussel, Noord-Brabant en Vlaams-Brabant, Zwolle

kajet geven, uitdr.: hem van katoen geven, lament geven. Contaminatie van katoen en sajet. Vgl. Wvl. s(a)jette geven ‘van katoen geven’. Katoen/sajet verwijst naar de katoenen of wollen wiek, pit in een olielamp. De pit werd opgedraaid zodat een grotere vlam verkregen werd; vgl. lament gven, Wvl. lonte geven. – Bibl.: F. Debrabandere, Geef maar (van) katoen. Nederlands van Nu 50 (2002), 27-28.

F. Debrabandere (2005), Oost-Vlaams en Zeeuws-Vlaams etymologisch woordenboek: de herkomst van de Oost- en Zeeuws-Vlaamse woorden, Amsterdam

katoen geven, uitdr.: van katoen geven, zich erg inspannen, geweldig te werk gaan. Met katoen wordt een katoenen pit of kousje van de petroleumlamp bedoeld. De pit hoger draaien gaf een grotere vlam. Vandaar de zegswijze. - Bibl.: F. Debrabandere, Geef maar (van) katoen. NvN 50 (2002), 27-28; WVD-Contact 16 (2002), 17-20.

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

katoen’ (de), 1: Teenstra (1835 I: 265 e.v.) geeft een aantal namen voor vormen van inheemse en/of ingevoerde katoensoorten (Gossypium-soorten, Angalampoefamilie*), die ten dele authentiek lijken, ten dele wellicht vertalingen van Indiaanse namen of bedenksels van hemzelf zijn. Van deze is alleen rode katoen* of snipkatoen* op naam te brengen. De andere zijn: baboenkatoen, bokkenkatoen (ook in Enc.NWI 401), kruipkatoen (kruipend), tuinkatoen (een sierheestertje), vogelkopjeskatoen en Bourbons katoen (volgens Teenstra een andere soort dan op Java; ook bij Westeroüen v.M. 1880: 24). In herbarium van Rijksuniversiteit Utrecht witte katoen voor een vorm van Gossypium barbadense. - 2. (ook, i.h.b. onder medisch personeel:) watten. - Etym.: (2) Vroeger werd katoenpluis gebruikt zoals watten nu en heette toen ’katoenen watten’ (WNT 1926). In het E van Ghana (Afr.) gebruikt men ’cotton’ alleen in de bet. van ’watten’ (Sey 92). - Zie i.v.m. 1 ook: boskatoen*, savannekatoen*.
— : rode katoen, vorm van de tropisch Amerikaanse katoensoort Gossypium barbadense met rood aangelopen stengels en bladeren. Bij hoofdpijn neme men wat zaadpluis (watten) van de rode katoen. Het geval aansteken. Het opsnuiven van de rook heet verlichting te geven (May 30). - Etym.: Oudste vindpl. Teenstra 1835 I: 267. - Syn. snipkatoen*.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

katoen (Frans coton)

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Katoen van ’t Fr. coton en dit van ’t Arab. kodon = boomwol.

R. Dozy (1867), Oosterlingen, verklarende lijst der Nederlandschen woorden die uit het Arabisch, Hebreeuwsch, Chaldeeuwsch, Perzisch en Turksch afkomstig zijn, 's-Gravenhage

Katoen
Het Arab, koton (قطن). In het Sp. nog met het Arab. lidwoord algodon, Ital. cotone, Fr. coton. Verkeerdelijk is bij ons en bij de Duitschers de eerste vokaal een a geworden; onze voorouders schreven beter cottoen.
Het middelnederlandsche acotoen (acottoen, accotoen, aucotoen), een wambuis, dat de ridders onder het harnas droegen en dat van binnen met katoen gevoerd was, is ook het Arab. al-koton (Prov. alcoto) zie de Vries, Middelnederlandsch Woordenboek, I, p. 167, bij welk artikel evenwel moet gevoegd worden, dat de Arab. het woord in dezen specialen zin niet gebruiken; het is bij hen nooit een bepaald kleedingstuk.
Van geheel anderen oorsprong en beteekenis is het woord katoen in de spreekwijs: houd je maar katoen! voor: houd je maar bedaard! Dit is het Joodsche katoon (קטן), klein.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

katoen ‘geweven stof’ -> Duits Kattun ‘stevig weefsel van katoen’; Deens kattun ‘katoenen stof met een motief erop gedrukt’ (uit Nederlands of Nederduits); Noors kattun ‘geweven stof’ (uit Nederlands of (Neder- of Hoog-)Duits); Zweeds † kattun ‘omhulsel van zaden van de katoenplant; geweven stof, vaak bedrukt met een motief’ (uit Nederlands of Duits); Sloveens katun ‘geweven stof’ ; Lets katūns ‘geweven stof’ (uit Nederlands of Duits); Litouws kartūnas ‘katoenen stof met een motief erop gedrukt’ ; Hongaars karton ‘geweven stof’ ; Indonesisch katun ‘geweven stof’; Ambons-Maleis katun ‘geweven stof’; Munsee-Delaware káto:n ‘geweven stof’; Negerhollands katūn ‘geweven stof’ (uit Nederlands of Engels); Berbice-Nederlands katun ‘geweven stof’; Papiaments katuna (ouder: katoena) ‘soort heester (Gossypium hirsutum) waarvan de zaden omgeven zijn door wit pluis, die de grondstof is voor katoenstoffen; bedoeld zaadpluis; suikerspin’; Sranantongo katun ‘geweven stof; katoenen; watten’; Aucaans katoen ‘geweven stof’; Arowaks káruñ ‘katoendraad’; Sarnami kátun ‘geweven stof’; Creools-Engels (Maagdeneilanden) katun ‘geweven stof’ .

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

katoen geweven stof 1272 [CG I1, 219] <Frans

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

1111. (Van) katoen geven,

buitengewoon zijn best doen; iemand duchtig afranselen, dial. iemand katoenen, iemand afranselen; de les lezen. In tooneeltaal verstaat men er onder zinnen met overdreven stemuitzetting en kracht zeggen; hol pathos; syn. van van draad geven of (hem) van hakkiedou geven (Onze Volkstaal III, 254; Handelsblad, 7 Maart 1917 (O), p. 3 k. 2Een werkelijke actrice, die zooals 't heet ‘'m van hakkidouw gaf’., naast een ww. hakkidouwen in Handelsblad, 17 Juni 1919 (A): Soberheid in elke uiting, ‘hakkidouwen’ is gedaan; het tooneel moet ons ontroeren, zonder lach en zonder traan). De uitdr. is algemeen bekend ook in den vorm katoen geven in Zuid-Nederland; zie Molema, 197: Van ketoen geven, er dapper op inslaan, uit alle macht werken, kloppen, enz.; Gunnink, 146; Nkr. IV, 15 Mei p. 2; 8 Mei p. 4; VI, 1 Juni p. 3; 14 Sept. p. 2; 9 Nov. p. 4; Zondagsblad v. Het Volk. 2 Mei 1914, p. 1 k. 2: Hij sprak als deelde hij meppen uit; hier een en daar een, en geef-'m-van-katoen; Handelsblad, 18 Sept. 1913 (ochtendblad), p. 1 k. 6: Zelf speelde de heer Schwab den aanvoerder der familie, graaf Ladislaus. Het deed deugd hem zoo ‘van katoen’ te zien geven; 27 April 1913, p. 1: In Paljas gaf hij 'm te veel van katoen, wellicht aangemoedigd door het applaus, dat des te sterker weerklinkt, naarmate het spel pathetischer is; Zondagsblad van Het Volk, 25 Oct. 1913, p. 1 k. 2: Ha, dat pakt! Nou zal ik 'em van katoen geven; Nw. School, VIII, 184: En dan besluit-ie, 'em even modern van katoen te geven; Handelsblad, 5 Sept. 1915 (ochtendbl.) p. 6 k. 4: Mevrouw de Vries geeft 'm van schietkatoen. We sidderen bij 't schermvallen; Schuermans, Bijv. 150; Joos, 79; 't Daghet XII, 187; Rutten, 108: katoengeven, hardloopen, alle pogingen aanwenden om iets te bekomen; Teirl. II, 115: katoen geven, met kracht, drift, geweld te werk gaan; zijn uiterste best doen; fr. donner du coton, donner de la peineLorédan Larchey, I, suppl. 36; nouveau suppl. 68.. Van katoen krijgen, er vanlangs krijgen, vgl. C. Scharten, de Roeping der Kunst, bl. 228: In het derde gedeelte van het tweede hoofdstuk krijgt zóó eerst Neels schoonzuster, de goedhartige en heerschzuchtige Nel, van katoen. In de plaats hiervan zegt men ook lamet -, peper -, scheut -, sneê -, draad -, lonte - (Schuermans), snaar geven (Schuerm. Bijv. 308); klouw geven (Joos, 79); fut -, (van) de kodde -, lament -, van de latte -, van (n)ijken -, van de neute -, krepee -, snoer -, poer of poeier, zwee geven, enz. (zie De Bo), gers of beurze geven (Kl. Brab.), gas, jas, kemp, van den moor, borze geven (Waasch Idiot.); feter geven of krijgen, een pak slaag (Antw. Idiot. 417); gort, gras, wind geven, hardloopen (Kinderspel en Kinderlust I, 67). Blijkens de Zuidnederlandsche uitdrukkingen van de lamet of lament geven, d.i. (van) de lampepit geven, moeten wij onder katoen lampekatoen, katoengaren verstaan, dat in groote rollen kluwens wordt opgewonden en een lange lijn vormt, zoodat we de uitdr. kunnen vergelijken met feter -, bucht -, (van) draad -, snoer -, snaar -, klouw (kluwen) geven en onze uitdr. bocht geven en botgeven. (Van) katoen (geven) beteekent derhalve ruimschoots (eig. waarbij de schoot gevierd is), in volle mate, niet gering, flink geven (zie no. 973) en in toepassing op eenigen arbeid: flink werken, zich krachtig inspannen; of bij een strafoefening: duchtig afranselen, van Delft tot Leiden geven, zooals men in de 17de eeuw zeide, waarvoor men in Groningen, volgens Molema, 538 a, nog zegt: hij krigt van Laiden noa Delft (zie Ndl. Wdb. VIII, 231). Misschien mag ook vergeleken worden iemand trens, laken (zie Schoolm. 254) geven, iemand afrossen; hij geeft 'm van Jetje (eig. sajet? Köster Henke, 28Door Voorzanger en Polak, bl. 165 wordt gedacht aan een verkleinw. van jad, hand.); Haagsche Post, 20 Juli 1918, p. 857, k. 3: Die lui van 't Rembrandtplein geven hem, wat je noemt, geweldig van Jetje; A.v.A.: 'k Ga na 't Zeemanshuis, dan lichten ze je daarover eventjes bij..... van geef 'm jetje; V. Hulzen, Machteloozen, bl. 117; Kunstl. I, 1: Stil toch lieve mins, schreeuw soo niet.... de bure salle denke dat 'k m'n wijfje van jetje geef; Handelsblad 4 Sept. 1915 (avondbl.), p. 6 k. 4: Armzwaaiend vloog ze over de heele breedte van de Bühne, al maar roepend: ‘'t Is vreesselk, 't is vreesselk’. Het was duidelijk: Do wou 'm van Jetje geven; Do wou, bij wijze van verrassing, es laten zien wat ze kon.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal