Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

katje - (bloeiwijze)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

katje zn. ‘bepaalde bloeiwijze’
Vnnl. eerst de samenstelling kattesteerten “d'bloeysel van haselnoten boom, ende dier gelijcke, ratten steertkens niet onghelijck” (lees: katten steertkens) [1567; Nomenclator], dan catten “bloeysel van notelers, haselers, ende diergelijcke boomen” [1573; Thes.], katten, kattekens ‘bloesems van de notenboom’ [1599; Kil.], lange smalle moschachtige troskens, de welcke ... nae heur sachte wollachticheyt Cattekens geheeten worden [1608; Dodonaeus]; nnl. Wanneer de Berkeboom bloeit ... dan hangen de dunne, lange, Mannelyke Katjes loodregt nederwaards; doch tevens krommen zig de kortere, styve, Vrouwelyke Katjes opwaards [1773; Houttuyn].
Verkleinwoord van → kat en zo genoemd wegens de gelijkenis met een kattenstaart.
Ook vnhd. ketzgin, ketzel (nhd. Kätzchen); Neolatijn catulus; Frans chaton. Ne. catkin ‘katje’ (in een vertaling van Dononaeus) [1578; OED] is ontleend aan de vnnl. variant katteken.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

katje1 [bloeiwijze] {1573} genoemd naar het zachte kattenvel.

P.H. Schröder (1980), Van Aalmoes tot Zwijntjesjager, Baarn

katje

Een katje is een kleine kat, dat spreekt vanzelf. Maar het woord heeft nog andere betekenissen. Daar is in de eerste plaats het katje aan bomen en struiken, de trosvormige bloeiwijze die katje genoemd wordt, hetzij vanwege de vorm die op de staart van de kat lijkt, hetzij vanwege de fluwelen zachtheid bij vergelijking met de beharing van de kat. Maar een katje is ook een berisping, een uitbrander, een standje, aanvankelijk in soldatentaal, maar nu algemeen. In zijn roman De Jordaan gebruikt Querido het woord bekattering voor: beschuldiging. Dit is Grieks katègoros, aanklager, Hebreeuws kateigour in dezelfde betekenis dat, neemt men aan, eerst in het joods van Amsterdam beland is en toen in verkorte vorm in het Nederlands is opgenomen. Maar zeker is dit niet. In zeemanstaai is katje halen: salaris ontvangen. Dit zou komen uit Maleis gadji of uit Frans gage.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

katje znw. o. ‘wilgenkatje’ is wegens de vorm overdrachtelijk gebruik van het woord voor de kleine kat. — Hetzelfde woord katje wordt ook gebruikt voor een berisping.

De vorm kattekîn is ontleend in ne. catkin (sedert 1578, vgl. Bense 39).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

katje (aan boomen) znw. o. Verkleinwoord van kat met overdr. bet. Evenzoo hd. kätzchen.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

katje o., in alle bet. dimin. van kat; zoo genoemd of naar den vorm, of naar het zachte kattevel of omdat het eerst uit kattevel gemaakt werd.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

katje ‘bloeiwijze’ -> Engels catkin ‘bloeiwijze’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

katje bloeiwijze 1573 [WNT]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut