Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

katheder - (spreekgestoelte)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

katheder zn. ‘spreekgestoelte’
Vnnl. cathedra ‘stoel, gestoelte’ [1663; Meijer]; nnl. het catheder ‘spreekgestoelte van een hoogleraar’ (in een boektitel van Cornelius Blom) [1749; Picarta], cathedra; catheder;... een verheven geplaatste stoel ... waar in een leermeester zig plaatst [1768; WNT].
Ontleend, misschien via Duits Katheder ‘spreekgestoelte van een (hoog)leraar’, aan Latijn cathedra ‘leunstoel, leraarsstoel, bisschopszetel’, ontleend aan Grieks kathédrā ‘zitplaats, stoel, zetel’, gevormd uit → kata- ‘neer-’ en hédrā ‘zetel’ dat samenhangt met het zelden voorkomende ww. hézesthai ‘gaan zitten, zitten’, verwant met → zitten. Zie ook → kathedraal.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

katheder [spreekgestoelte] {1778} < hoogduits Katheder [spreekgestoelte] < latijn cathedra < grieks kathedra (vgl. kathedraal).

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

katheder znw. m., in de 18de eeuw < nhd. katheder < lat. cathedra < gr. kathédra ‘stoel, armstoel’.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

katheder znw., nog niet bij Kil. Bij ons wsch. uit nhd. kathéder (m. o., vroeger ook v.), dat op lat. cáthedra (< gr. kathédra) oorspr. = “stoel, armstoel” teruggaat.

Thematische woordenboeken

N. van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

katheder (Duits Katheder)

C.H.Ph. Meijer (1919), Woorden en uitdrukkingen verklaard door Dr. C. H. Ph. Meijer, Amsterdam

Katheder, spreekgestoelte, eig. zetel, van lat. cathedra, grie. kathèdra. een afleiding van het ww. kathedoumai = zitten.

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Sjees, van ’t Fr. chaise, dat eig. zetel, stoel bet. en later op een 2-wielig rijtuig werd toegepast, als ware ’t een stoel op 2 wielen. – Het is afgeleid van ’t Lat. cathedra = zetel (ons katheder = spreekgestoelte). Ook kathedraal (hoofdkerk) is er mee verwant: het is n.1. een kerk met een bisschopszetel (cathedra). – Het studentenwoord sjeesen voor: „niet slagen op een examen” bet. oorspr.: „op een sjees naar huis brengen”, wat men met een „gezakte” deed.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

katheder spreekgestoelte 1778 [WNT] <Duits

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal