Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

kater - (ongesteldheid na dronkenschap)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

kater 2 zn. ‘onaangename gevoelens na drankmisbruik’
Nnl. kater “haarpijn” [1897; Woordenschat], [de goedkope wijn] bezorgde hun een jammerlijke lamlendigheid, een kater als een tijger zoo valsch [1906; WNT].
Ontleend aan Duits Kater ‘id.’ [ca. 1850; Kluge21], een voor het eerst in studentenkringen in Leipzig opgetekend woord. Het is een opzettelijke, of anders volksetymologische, vervorming van Katarrh ‘slijmvliesontsteking, verkoudheid’, met bijgedachten aan een Duitse biersoort die kater genoemd werd, omdat het, volgens een citaat uit 1575, degene die er te veel van dronk, 's ochtends in het hoofd krabde, en aan het oudere synoniem Duits Katzenjammer [1768; Kluge21], letterlijk ‘kattengejammer’. In het Nederlands bestond al het woord katterigheid ‘kater’ [1844; WNT] met het bijbehorende bn. katterig ‘onwel op de dag na dronkenschap’.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

kater2 [ongesteldheid na dronkenschap] {1901-1925} < hoogduits Kater, voor het eerst omstreeks 1850 in de taal van Duitse soldaten genoteerd, vermoedelijk een opzettelijke verbastering van Katarrh, dat de Duitsers van de Russen overnamen (vgl. catarre).

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

kater 2 znw. m. ‘ongesteldheid na een drinkgelag’, in 2de helft der 19de eeuw < nhd. kater, eig. een woord van de studententaal in Leipzig, die sedert 1850 het daar gebruikelijke kater voor catarrh in deze zin overneemt en dat zich snel in studentenkringen verspreidde.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

kater II (katzenjammer), komt uit het Du. Hier is ’t een ± 1850 in de studententaal gedrongen, o.a. in Leipzig gebruikelijke volksvorm van catarrh.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

kater 2 m. (katzenjammer), uit Hgd. id., een grappige vorming in de Duitsche studententaal van Hgd. katarrh, Gr. katárrhoos, van katá = neder en rheĩn = vloeien (z. stroom).

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

kater onaangenaam gevoel na dronkenschap 1906 [WNT] <Duits

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

1109. Een kater hebben.

In de studententaal beteekent deze uitdr. ongesteld zijn, zich niet lekker gevoelen tengevolge van een roes, een drinkpartij. Zie Nachtk. 19; 30; Zandstr. 59 (reuzenkater); Speenhoff IV, 91 (tijgerkater); Nkr. 15 Nov. 1913, p. 2 (onafhankelijkheidskater); ook is bekend een ww. bijkateren (opknappen), o.a. Nachtk. 120 en uitkateren (in A.t.A. 116); 'n antieken kater hebben, van gisteren of eergisteren avond. Men neemt aan, dat ‘kater’ ontleend is aan het Duitsch, waar volgens F. Kluge, Deutsche Studentensprache, 98, kater in dezen zin het eerst is aangetroffen in 1850; ook zegt men in het hd. besoffen wie ein Kater; bij ons zuipen als een katerTaal- en Letterb. IV, 232.; dit kater wordt gehouden voor een volksvorm van katarrhKluge, Deutsche Wortforschung V, 262; Wortforschung und Wortgeschichte, 100-102. Een geheel andere verklaring in Zeitschr. f. D. Altert. LIII, 127.. In het Zeitschr. f.d. D. Unterricht, XXVI, 752 wordt evenwel verwezen naar Heinrich Knausts Fünff Büchern von der Kunst Bier zu brauen (1575): So heiszt das Stader Bier Kater, denn es kratzet wie ein Kater dem Menschen, der sein zu viel getrunken hat, des Morgens im Kopf. Vgl. ook Walther u. Lübben, Mnd. Handwtb. 169: Kater, Name eines gewissen Bieres. Terloops wil ik nog wijzen op een bundel Refereinen van 1524:

Hier op crycht die wyn eerst synen smaeck,
Dan ist ic brengt u eens myns hertsen greyn.
Cateroghen hebbende gheern vaeck.Tijdschrift XXI, 98.

J. Clyburgs Poëzy, anno 1727, Verjaargedichten, bl. 7:

Ik drink my daag'lyks maar eens vol,
Van 't wyze en zoete Hengste-water,
Waar door ik zomwyl als een Kater
Zie uyt myn ogen dat 'k schier rol,
Van boven neder als een tol.

Een gelijkbeteekenende uitdr. is kattig (Tuinman I, 313) of katterig zijn (o.a. O.K. 14), hd. Katzenjammer haben, dat in het hd. in 1768 is gevonden bij Wichmann, Antikritikus, S. 602: Es giebt eine Krankheit des Leibes, die zuweilen unglückliche Menschen mit den Katzen gemein haben und die deszwegen der Katzenjammer genannt wird. Vgl. zoo ziek, misselijk, als een kat (Tuinman I, 313; ten gevolge van hare vraatzucht); eng. to be cat-sick; as sick as a cat.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut