Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

kater - (mannetjeskat)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

kater 1 zn. ‘mannetjeskat’
Mnl. eerst als bijnaam: hugo chater [1219; Debrabandere 2003], clais die cater [1297; CG I, 2418], dan cater ‘mannetjeskat’ in dus bem ic ayser dan een cater ‘dus ben ik vrolijker dan een kater’ [1300-50; MNW-R].
Een woord dat gebaseerd is op → kat; het achtervoegsel is onverklaard, maar kan misschien in verband worden gebracht met de uitgang van → marter, een inheems klein roofdier. Later zijn naar analogie van kater enkele andere namen van mannetjesdieren gevormd, zoals gander (zie → gans 1) en → doffer ‘mannetjesduif’.
Mnd. kater; ohd. kataro [9e eeuw; Pfeifer] (nhd. Kater); en misschien het eerste lid in ne. caterwaul ‘krollen, janken’; < pgm. *kat(a)zo- (alleen West-Germaans), met grammatische wisseling naast pgm. *kats-, waaruit mnd. kāts ‘kater’ (nnd. dial. ka(a)ts). Het woord woord heeft in tegenstelling tot alle Germaanse vormen van kat geen -tt-, wat zou kunnen wijzen op hoge ouderdom.
De uitgang -r komt eveneens voor in de West-Slavische woorden voor ‘kater’, bijv. Tsjechisch kocour < Proto-Slavisch *kot'urŭ.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

kater1 [mannetjeskat] {in de persoonsnaam Clais die Cater 1297, cater [mannetjeskat] 1300} middelnederduits kater, oudhoogduits chatere; van kat1, vgl. vormingen als doffer, marter.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

kater 1 znw. m., mnl. cātere, cāter, mnd. kāter, laat-ohd. chatere (nhd. kater). De enkele t kan wijzen op hoge ouderdom van deze woordvorming (voor het suffix -er zie ook: doffer, marter) en de mening versterken, dat kat een germ. woord is.

Voor de dialectische vormen zie I. Habermehl, Taalatlas afl. 2, 15.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

kater I znw., mnl. cāter(e) m. = laat-ohd. chatere m. (nhd. kater), mnd. kāter m. “kater”. Men neemt wel een grondvorm met wgerm. d aan: veeleer echter is de hd. vorm uit het Ndd. ontleend, dan omgekeerd. De enkele t tegenover de tt van kat kan voor de meening worden aangevoerd, dat het woord oud is; -er (germ. -ran-) is een suffix voor mannelijke diernamen evenals in doffer. Met het oog op ndd. dial. kâts “kater” leidt men de r wel uit z af.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

kater 1 m. (kat), van kat, gelijk doffer van duif.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

kater ‘ongesteldheid’ (Duits Kater)
Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

kater ‘mannetjeskat’ -> Duits Kåter, Kuter, Kutert ‘mannetjeskat; bronstige kat’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

kater mannetjeskat 1297 [CG I4, 2418]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

1096. Van de kat (of den hond) of van den kater gebeten worden,

gewoonlijk of men van de kat of den kater (of van den hond) gebeten wordt, is hetzelfde, d.w.z. of men door het eene kwaad of door het andere geplaagd wordt, dat is hetzelfde, ‘als men toch het slachtoffer wordt, is het onverschillig hoe en waardoor’. Zie Harrebomée I, 321; Van Eijk II, nal. bl. 26; Het Volk, 3 Febr. 1913, p. 5 k. 1:

't Kan me niet schelen al word ik geen kiezer,
'k Heb aan die drukte nou eenmaal het land;
'k Word door de kat of den kater gebeten,
Mooie beloften verstuiven als zand!

De Telegraaf, 17 April 1914 (ochtendbl.), p. 1 k. 5: Wat maalt Sijmen Betaal er ten slotte om, hoe het ding heet, waarvoor hij betalen moet? Of hij van de kat of van den kater gebeten wordt? Het Volk, 27 Maart 1914, p. 8 k. 1: Lood om oud ijzer! Of men nu van den hond of den kater gebeten wordt - wat maakt dat uit? Handelsblad, 13 Mei 1914, p. 1 k. 3 (ochtendbl.): De vraag of de belastingschuldigen zullen worden gebeten door den hond of door de kat. Door de registratie of door de directe belastingen. Vgl. het fr. il vaut autant être mordu d'un chien que d'une chienne.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut