Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

kat - (huisdier)

Etymologische (standaard)werken

H. Beelen en N. van der Sijs, ‘Woordsprong’, serie in: Onze Taal 2013-2018

Kat-woorden

In 2015 meldde de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit dat er twee mensen waren aangehouden op verdenking van het ‘omkatten’ van voedsel voor de export naar Rusland. “Varkensvlees ‘omgekat’ tot patat”, luidde de krantenkop. En in 2013 werd gemeld: “Nederlandse dierenpaspoorten worden illegaal verkocht en zelfs honden buiten de EU worden omgekat naar Roemeense honden.”
Je zou bij deze woordspelingen misschien denken dat er een etymologisch verband is tussen het werkwoord omkatten en de dierennaam kat, maar dat is er in het Nederlands niet. Omkatten is ontleend aan het inmiddels alweer verouderde Amerikaans-Engelse to cat a car: ‘een auto opleuken met spoilers, sierstrips en dergelijke’. Oorspronkelijk verwijst de uitdrukking naar de praktijk van louche autohandelaren om een gestolen auto te voorzien van de kentekenplaat en het chassisnummer van een sloopauto, zodat de auto legaal kon worden doorverkocht. De oorsprong van to cat a car is onduidelijk. Misschien is er een verband met to go catting (‘opgedoft op de versiertoer gaan’), maar dat is niet zeker. De betekenis ‘een auto opsieren’ zal als eufemisme zijn opgekomen. Het woord omkatten is hoogstens enkele decennia oud. Een krantenbericht waarin “een bekwame omkatter” wordt veroordeeld, dateert van 1972.

Katvanger
Ook een ‘katvanger’ houdt zich bezig met louche zaken: een katvanger is ‘een zetbaas, stroman die wordt gevraagd als directeur van een bv op te treden, waarvan koppelbazen vervolgens gebruikmaken om hun illegale praktijken te dekken’. Omdat de zetbaas de politie opvangt en weghoudt van zijn bazen, is wel gesuggereerd dat kat hier ‘de politie en justitie’ betekent; een katvanger ‘vangt’ dan de kat, de politie, oftewel houdt die tegen.
Uit de oudste vindplaats blijkt echter dat het woord een andere herkomst heeft. In 1947 is sprake van smokkelaars in de Amsterdamse haven die, “wanneer zij hun slag proberen te slaan”, de hele haven afzetten met uitkijkposten, “terwijl één van hen als ‘katvanger’ fungeert, die de buit in de wacht moet slepen”. Kat is het Bargoense woord voor ‘fooi’, vroeger bij de Koninklijke Marine ook voor ‘wedde’ of ‘salaris’. Dit kat komt uit Indonesië. Hierin namen de Nederlanders het Franse leenwoord gage mee, dat in het Maleis werd ontleend als gaji (‘loon’). Door de veranderde uitspraak (‘gadzji’) herkenden de Nederlanders het oorspronkelijke woord gage niet meer; ze namen het woord op de klank over uit het Maleis en vervormden het tot kat(je). De uitdrukking ‘Dat is kat in het bakkie’ (‘Dat is makkelijk, dat loopt gesmeerd’) gaat waarschijnlijk terug op hetzelfde woord kat.

Een kat krijgen
Bij iemand een kat geven of een kat krijgen denken we aan de uithaal van een felle kat, maar ook deze uitdrukkingen hebben oorspronkelijk niets met het dier te maken. Kat is in deze combinaties van oorsprong een verkorting van bekattering. Dat weten we omdat de genoemde combinaties jong zijn; geen van alle zijn ze voor de twintigste eeuw genoemd. Bekattering, dat aan de bron van deze kat-woorden ligt, is een Bargoens woord dat voor het eerst in 1906 op schrift te vinden is in het krantenfeuilleton ‘De verhalen van een Speurder. Naverteld door J. F. X’, met sappige Amsterdamse dialogen. Nadat een verontwaardigde verdachte protest heeft aangetekend tegen zijn aanhouding, antwoordt de ‘speurder’: “Ik heb geen pik op je, Dries; maar ’n dofgajes [= rechercheur] kan zich toch ook vergissen met ’n bekattering.” In een noot wordt bekattering uitgelegd: “= beschuldiging”.
Het woord is ontleend aan het Jiddische mekatreg (‘aanklager’), dat teruggaat op het Hebreeuwse qāṭēghōr (‘aanklager’). Dit Hebreeuwse woord is ontleend aan het Grieks, waarin katègoros ‘aanklager’ betekent, eigenlijk ‘iemand die zijn stem laat horen in de volksvergadering’, want het woord is afgeleid van het werkwoord katēgoreĩn, een samenstelling van kata- (‘van, omlaag’) en agora (‘volksvergadering, marktplaats’): beschuldigingen werden oorspronkelijk in de openbare ruimte geuit. De betekenis van bekattering (‘beschuldiging, bekeuring’) ontwikkelde zich later in het Nederlands tot ‘uitbrander’.
Een andere afleiding van het Griekse werkwoord katēgoreĩn (‘aanklagen’) is katēgoria (‘aanklacht’). Dit woord hebben we (via het Frans) echter in een heel andere betekenis geleend, namelijk als categorie (‘onderdeel van een classificatie’). Die betekenis kreeg het woord dankzij de filosoof Aristoteles, die in zijn Katègoriai ‘Over de Categorieën’ tien grondvormen beschreef waarmee de menselijke geest het Zijn kan bevatten. En zo zijn we al kattend van de dieventaal beland in de wijsbegeerte.
[Hans Beelen en Nicoline van der Sijs (2017), ‘Kat-woorden’, in: Onze Taal 10, 23.]

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

kat zn. ‘gedomesticeerd roofdier (Felis silvestris catus)’
Onl. *katta ‘(wilde?) kat’ in de plaatsnaam Cathem ‘Kattem (Brabant B)’, letterlijk ‘kat-heim’ [1162; Gysseling 1960], en in de persoonsnaam walteri cath [1165; Debrabandere 2003]; mnl. catte eerst in cattenstrate ‘Kattenstraat’ [1224-27; CG I, 9], catte ‘kat’ [1240; Bern.], cat [1287; CG II, Nat.Bl.D]. Zie ook → katten.
Herkomst onbekend. Het woord verschijnt in vele Europese talen, maar welke reis het heeft gemaakt is zeer onzeker.
Os. katta (mnd. katte); ohd. kazza (mhd. katze, nhd. Katze); ofri. katte (nfri. kat); oe. catte (ne. cat); on. ketta (nzw. dial. kätta); < pgm. *kattō- (v.). Daarnaast pgm. *katta- (m.), waarbij: ohd. kazzo; oe. cat; on. köttr (nzw. katt). Bij een mannelijke afleiding *kat(a)zo- hoort → kater (alleen West-Germaans). Uit het Gotisch is geen woord voor ‘kat’ bekend. De indeling van deze vormen en de Proto-Germaanse reconstructies zijn hypothetisch, aangezien niet bekend is hoe oud de woordgroep is.
De meeste Europese talen en enkele daarbuiten hebben een sterk gelijkend woord. Het vroegst geattesteerd is Latijn cattus ‘huiskat’ [4e eeuw; bij Palladius]; van een eerdere, geïsoleerde vindplaats cattae [1e eeuw; bij Martialis] is de betekenis onzeker. Cattus is in de meeste Romaanse talen overgeleverd: Italiaans gatto, Spaans en Portugees gato, Catalaans gat, Occitaans en Picardisch cat, Frans chat. Overeenkomende woorden voor ‘kat’ of ‘huiskat’ zijn voorts: Litouws katė, Proto-Slavisch *kotŭ, *kot-ŭka (Oudkerkslavisch kotŭka alleen metaforisch ‘anker’ [11e eeuw; Havlová], later wel ‘kat’ in het Kerkslavisch en de volkstalen, o.a. Russisch en Pools kot; daarnaast o.a. Tsjechisch kotva ‘anker’), Oudiers cat, Welsh en Cornish cath, Bretons caz, Fins katti, Middelgrieks kátta (Nieuwgrieks gáta < Italiaans) en ook Baskisch katu. Minder zeker verwant zijn verder o.a. Turks kedi, Arabisch qutta ‘kat’ en Nubisch kadīs.
De kat als gedomesticeerd dier is al zeer oud, op Cyprus zijn sporen uit ca. 7500 v. Chr. gevonden en ook bij de Egyptenaren en de Romeinen werden katten gehouden voor de jacht op muizen en ratten; het is dan ook vreemd dat de naam cattus pas zo laat in het Latijn verschijnt. Over de oorsprong is veel gespeculeerd, maar niets met enige zekerheid vast te stellen. Het is mogelijk dat kat een lokwoord is, ontstaan uit een lokroep kt, kt, kt, zoals → poes is ontstaan uit de lokroep ps, ps, ps. Een veel gehoorde theorie is dat het woord niet met de huiskat uit het zuidoosten is meegekomen, maar dat het een Germaans of Keltisch woord is; men wijst bijvoorbeeld op de oude Keltische vorstennaam Cenn Cait ‘kattenkop’ (Pfeifer). Als dit waar is, moet het woord oorspr. op een ander dier hebben geslagen, wellicht de wilde kat (Felis silvestris), de enige in Noordwest-Europa inheemse kattensoort.
In de wetenschappelijke taxonomie heeft de kat zijn naam gegeven aan de familie der katachtigen, waartoe ook grote roofdieren als de tijger en de leeuw behoren.
Het klassiek-Latijnse woord voor ‘kat’ was felis, maar dat was algemener en omvatte ook andere dieren als de wilde kat en de marter.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

kat1 [huisdier] {in de persoonsnaam Giselijn de Cattenstraten 1210-1240, cat(te) 1201-1250} middelnederduits, oudfries katte, oudhoogduits chazza, oudengels catt(e), oudnoors kǫttr < latijn catta, dat dateert uit de keizertijd, toen de huiskat, afkomstig uit Afrika, een gebruikelijke verschijning werd en het oude woord voor (wilde) kat feles, felis werd verdrongen. Het woord catta werd met het dier geïmporteerd, vgl. nubisch kadis [kat]. De uitdrukking de kat de bel aanbinden is ontleend aan een fabel van Aesopus, waarin in het overleg van de muizen er één voorstelt de kat een bel aan te binden en een oude muis de vraag stelt wie dat dan wel zal doen. In de kat in het donker knijpen betekent kat wel ‘meisje’, vgl. rotwelsch Katze [idem].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

kat 2 (verouderd), ook katschip ‘kort en plomp model van een fluitschip’, toepassing van de diernaam. — > fra. chat ‘zeilschip op de noordelijke zeeën, plat en aan beide stevens rond’, in de 16de eeuw ontleend (vgl. Valkhoff 88).

kat 1 znw. v., mnl. catte, mnd. katte, ohd. chazza (nhd. katze), ofri. katte, oe. catte v. naast oe. catt, cat m., on. kǫttr (met vr. ketta). — lat. cattus, catta treden eerst 350 na Chr. op; verder algemeen verbreid vgl. oiers cat (een ierse vorst Cenn Cait ‘kattekop’ regeerde omstr. 50 n. Chr., maar is eerder een legendarische figuur), alg. slav. kotŭ, lit. katė̃ ‘kať, kãtinas ‘kater’. Het lat. woord treedt zo laat op, dat het wel aan het germ. ontleend zou kunnen zijn, al is het dier van Egyptische herkomst.

Het schijnt, dat het germ. kat oorspr. andere, in het bijzonder wezelachtige dieren aangeduid heeft, zoals on. hreysikǫttr, nnoorw. røysekatt, nzw. le-katt ‘hermelijn’ (E. Lidén KZ 56, 1928, 213), maar deze woorden kunnen een bijzondere toepassing van het woord kat op andere kleine roofdieren zijn. — Indien kat een germ. woord zou zijn, kan men vermoeden, dat het eigenlijk een lokroep is vgl. Ideforss ANF 47, 1931, 14 vlgg.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

kat znw., mnl. catte v. = ohd. chazza (nhd. katze), mnd., ofri. katte, ags. catte v. “kat”, naast ags. cat(t) m. (eng. cat), on. kǫttr m. (: v. ketta). Een ook buiten ’t Germ. bestaand woord (lat. cattus, -a, ier. cat, russ. kot, lit. katė͂ “kat”) van onbekenden oorsprong. Komt ’t vroegst (4. eeuw na Chr.) in ’t Lat. voor. Mocht ’t woord van ouds germ. zijn (NB. vgl. kater), dan moet ’t oorspr. een ander dier dan de huiskat hebben aangeduid. Deze is uit Egypte afkomstig.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

kat. Het is denkbaar, dat het woord van het Lat. in het Germ. is gekomen. Niet waarschijnlijk echter is, dat lat. cattus, waarnaast soms catus, een vanouds lat. woord zou zijn, ospr. de naam van een ander klein roofdier en identisch met catus ‘slim, geslepen’: Brøndal Substr. og Laan 177, die ook ten onrechte de lat. bijvorm gebruikt ter verklaring van de enkele t in kater (a. w. 176).

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

kat v., Mnl. catte + Ohd. kazza (Mlat. en Nhd. katze), Ags. catta en cat (Eng. id.), Ofri. katte, On. kǫttr (Zw. katt, De. kat); het w. bestaat verder in 't Rom. (Mlat. cattus, Fr. chat), in ’t Kelt. (Ier. cat, We.. cath), in 't Slav. (Ru. kot, Lit. katė), verder in Finn., Mag., Ngr., Turk. en Ar. Wellicht met zinnebeeldige gemin. uit Lat. catulus = (katte)jong, hondejong, klein dier + Mier. cadla = geit, Se. kotiti, = jongen, Mhd. hatele, Zwit. hatle = geit; het werd in 't Germ. opgenomen na de eerste, maar vóór de tweede klankverschuiving.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

kat (zn.) kat; Vreugmiddelnederlands catte <1240> < Latien cattus.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

katjie I: dim. v. kat; Ndl. kat, Eng. cat, Hd. katze, deur Germ. tale ontln. aan Lat. cattus (ml.) en catta (vr.).

kats II: “gesel, tugwerktuig”; Ndl. kat, mntl. deur soldt. en seemt. onder Du. invl. (Hd. katze) ingevoer; die -s eis hier, soos by kats I, ’n verkl., en ook hier het Xh. uku-katsa, “met die kats slaan”, wsk. te laat gekom om alg. gebr., frekw. en ouderdom te kan verkl. Sowel by kats I as by kats II is die betrokke wd. in Bant. wsk. aan Afr. ontln.

J. du P. Scholtz (1961), Afrikaanse woorde en uitdrukkinge - eiegoed of erfgoed?, uitgegee deur Edith H. Raidt, in: Tydskrif vir Geesteswetenskappe, pp. 235-290

Kat snw. Segsw.: As die kat weg is, is die muis baas. Die gewone Ndl. lesing: Als de kat van huis is, dansen de muizen op tafel ken Afrikaans nie. – Corn. en Vervl. 626: Als de kat van huis is, zijn de muizen baas; Rutten 108: Als de kat weg is, zijn de muizen meester.

Thematische woordenboeken

M. De Coster (2007), Groot scheldwoordenboek: van apenkont tot zweefteef, Antwerpen

kat: (Leiden) ontuchtige vrouw.

De Leidse burger had van zijn kant ook niet veel op met ‘het’ student. Dat blijkt wel uit het volgende. Iedereen kent het woordje kat voor ‘snibbige vrouw’ of ‘snibbig meisje’. Minder bekend is tegenwoordig kat in de betekenis ‘slet’ of ‘snol’. De 19de-eeuwse schrijver V. Loosjes maakt in zijn boek ‘Nieuwe Zedekundige Uitspanningen’ duidelijk waarom een lichtzinnig vrouwelijk wezen met kat wordt aangeduid. ‘Dat men een ontuchtig vrouwspersoon (vanwege de krolsheid der katten) vrij algemeen den naam van kat geeft, of wil men dat zoogenaamd gerijfelijk deel der kunne zachter betitelen, ze katjes of poesjes heet.’ De Leidse bevolking vond het kennelijk hoogst ongepast dat een burgermeisje het met een student aanlegde. Daarom noemde hij zo’n meisje dan ook kat ‘studentenhoer’. Slettebak zouden wij tegenwoordig zeggen. (Hans Heestermans in Leidsch Dagblad, 19/10/2001)

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

kat ‘dier’ (Latijn catta of cattus); ‘drug’ (Arabisch qāt); ‘uitbrander’ (van bekattering)

P.G.J. van Sterkenburg (2001), Vloeken. Een cultuurbepaalde reactie op woede, irritatie en frustratie, 2e druk, Den Haag

kat. Met dit woord is de bastaardvloek (bij) gans kat ‘bij de kat van God’ gevormd. Hij komt voor naast gans honden, die op zijn beurt ontstaan is als verdoezelende vloek voor Gods wonden. → bok, das, gans (1), gans (2), haas, hond, kieviet, koe, koekoek, konijn, kraai, muis, slak, varken, vink, wolf.

C.H.Ph. Meijer (1919), Woorden en uitdrukkingen verklaard door Dr. C. H. Ph. Meijer, Amsterdam

Kat, De kat uit den boom kijken (zien). Vroeger meestal beschouwd als ontleend aan het katknuppelen en boom dus als = bodem, doch hiertegen pleit, dat de kat niet door kijken uit den bodem van de ton komt; tenzij men den zin er aan hecht: eerst de kat veilig en wel uit de ton en weggevlucht zien, vóór men zich in de nabijheid waagt, waartegen weder pleit, dat zien wel voorkomt, doch meest kijken, dat hierbij niet past. Daarom wil men er nu meer in zien: door strak kijken maken, dat een kat, die in den boom zit, er uit komt. Hiervoor pleiten de uitdrukkingen: zoo vurig of kwaad zien, dat men een kat uit den boom zou kijken, en: de kat kijkt den vogel uit den boom. De bet., waarin de spreekwijze nu voorkomt, nl. van afwachten. tot men weet hoe de zaken staan of gaan, komt wel niet geheel overeen met de eig. bet., doch dan moet men óf zich denken, dat men den klemtoon op kijken moest leggen, en dat dus bedoeld werd eerst probeeren wat door kijken teweeggebracht kan worden, vóór men handelend optreedt (= de kat er uit haalt); óf men moet aannemen een verkeerd gebruiken van het spreekwoord, zooals meermalen voorkomt.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

kat ‘spinnend huisdier’ -> Zoeloe kati ‘spinnend huisdier’ ; Negerhollands katje ‘spinnend huisdier’; Skepi-Nederlands kat ‘spinnend huisdier’.

kat ‘vaartuig’ -> Frans chat ‘zeilschip uit het Noorden’; Russisch kat ‘driemastig handelsschip’; Oekraïens kat ‘driemastig handelsschip’ .

kat ‘installatie voor het ophijsen van een anker’ -> Russisch kat ‘installatie voor het ophijsen van een anker’; Oekraïens kat ‘installatie voor het ophijsen van een anker’ ; Azeri kat ‘installatie voor het ophijsen van een anker’ .

kat ‘verdedigingswerk’ -> Zuid-Afrikaans-Engels kat ‘verdedigingsmuur in het Kasteel in Kaapstad’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

kat katachtige 1210-1240 [CG I1, 9] <Latijn

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

922. Den hond in den pot vinden,

d.w.z. thuiskomen en alles, het middagmaal, op vinden, terwijl de hond reeds bezig is den pot uit te likken.Ovl. Lied. 429, 89: Ghelievet u, heere, spise ende dranc was al bereit, eer dhondekine quamen. In 't mnl. de hont is in der scapraden (de etenskast, om de kliekjes op te eten); bij Goedthals, 30: Den hont in den pot vinden, le loup au plat; Sartorius, I, 10, 23; III 9, 46: Ex Telemachi olla edes. Ghy sult de hont in de pot vinden; Servilius, 272: Ghi hebt den hont in den pot gevonden; Tijdschr. XIV, 126: Die kat sit int scapra, ende die hont lickt die pot hier (16de eeuw); Huygens VI, 190; De Brune, Bank. I, 374 en Idinau, 15:

De sulcke den hont in den huts-pot vinden,
Die van andere worden onder-kropen,
In t' geen dat sy sochten ende beminden:
T' gheschiet valt anders, dan 't verhopen,
T' is tijdt te trecken, als men siet nopen.

Halma, 222: Den hond in den pot vinden, venir trop tard pour diner, être obligé de diner par coeur; Sewel, 340; Tuinman I, 109; Harreb. I, 307; Landl. 184; Het Volk, 30 Jan. 1914, p. 2 k. 1; Sjof. 216: D'r viel nog al 's een centje af as-'t-ie lapwerk thuis bracht. Tegenwoordig is dat ook uit, overal de hond in den pot. De Vlamingen zeggen hiervoor ook: de hond is over de tafel gesprongen (Joos, 80; Waasch Idiot. 641 b); in het Haspengouwsch en Hagelandsch: de kat in den ketel vinden (Rutten, 107 b en Tuerlinckx, 306); in Limburg, volgens 't Daghet XII, 188: den hond (de kat) in den pot vinden; in Antwerpen: de hond heeft in den pot gekeken naast over den pot springen, komen om te eten als er niets meer is (Antw. Idiot. 992; Waasch Idiot. 533). In het Oostfri.: de hund in de pot finden; in Duitsche dialecten: er findet den Hund im Topf; der Hund ist in dem Potte; in de Rijnprovincie: en Katt in de Pott kriegen; in het fri.: hy fynt de houn yn 'e pot.

1097. Een benauwde kat maakt rare sprongen,

d.w.z. iemand die in groote verlegenheid zit, doet vreemde dingen. Vgl. Harreb. I, 385: Een kat, die in 't naauw zit, maakt vieze (= zonderlinge) sprongen. Een gepraamde kat zal dwars door de vensters vliegen om ruimte te hebben; De Arbeid, 18 Febr. 1914, p. 1 k. 1: Een kat die in 't nauw zit maakt rare sprongen. Zoo doet de economist van ‘De Tribune’, de heer Ceton; Kalv. I, 150: Wat weten die melkmuilen van den handel en van den benauwden sprong, die een benauwde kat doet? Het Volk, 24 Maart 1915, p. 3 k. 2; enz.

925. Hij heeft er een hond(je) zien geeselen,

d.i. ‘hij heeft daar iets verschrikkelijks gezien, dat hem die plaats doet mijden. Inzonderheid in vragenden vorm gebezigd, als een schertsend verwijt, dat iemand aan een ander doet, die hem in lang niet bezocht heeft’; Ndl. Wdb. IV, 700; II, 869. Ook, evenals deze zegswijze, in de 18de eeuw: hij heeft er een begijn of een zwijn zien geeselen (zie nog C. Wildsch. IV, 234; 311; Waasch Idiot. 87 a). Vgl. V. Schothorst, 132; Molema, 124 a: hij het doar 'n hondje gieseln zijn; neders. he het daar enen hund stupen seen; Eckart, 224: da hett he en Hund ûtstuppen sên; fri.: hy het dêr in houn giseljen sjoen; De Cock1, 85 en Boekenoogen, 610 in denzelfden zin: hij heeft er 'n zwart mantje (of de zwarte katDat duivels de gedaante van katten aannamen geloofde men al in de Middeleeuwen; zie Mnl. Wdb. IV, 1239; Volkskunde, XXII, 36 en vgl de uitdr. daar is een zwarte kat tusschen gekomen, er is iets tusschenbeide gekomen; ergens de zwarte kat gezien hebben, de plaats vermijden, er nooit komen. Zie Ndl. Wdb. VII, 1782. gezien. In Twente: hee hev doar de dûvel zeen gisselen. Ook in onze uitdrukking zal met den hond wel de duivel bedoeld zijn. Zie no. 920.

1092. De kat uit den boom kijken (of zien),

d.w.z. een afwachtende houding aannemen om te zien, hoe de gang van zaken zal zijn, alvorens men zich daarin mengt; fri. de kat ut 'e beam sjen en it scil my ris binije ho 't dy kat ut 'e beam fâlle scil (hoe dat zaakje zal afloopen); eng. to see (or watch) which way the cat jumps, hoe de zaak afloopt. De uitdrukking is sedert de 17de eeuw bekend; ze komt in meer letterlijken zin voor in de Gew. Weeuw. III, 69: Je zoudt een kat uit de boom kyken, zoo vuerig zie je uit u oogen; Rusting, 394: Als Agamemnon uit zyn droom ontwaakte keek hy, of hy katten uit een boom wou kyken; Smetius, 126: Hy legt ende siet hem aen ghelijck een katt van eenen boom eenen hond doet, deghene die op zyn voordeel liggende, zynen vijand uyt het velt siet. Dichter bij de tegenw. bet. staat ze bij Alewijn, Puit. Helleveeg, 36: Get Swaantje, 'k heb de kat daar uit de boom gekeken; het is de rechte; Langendijk, Spiegel der Vaderl. Koopl. vs. 152; Lingelbach, Ontd. Schijnd. 24 (waar een knecht tot zijn meester, die zijne eigene vrouw met een anderen man betrapt, zegt): Wij moeten nu de kat zien uit den boom kijken, d.w.z. wij moeten nu eens zien, hoe dat zaakje afloopt; Tuinman I, 89: De kat uit den boom kyken. Als men lang op een kat steroogt, vind zy zich genoodzaakt om laag te komen; II, 106; Harreb. I, 77; Ndl. Wdb. III, 408; Falkl. VII, 177; 178; Nest, 54; Jord. 124; Uit één pen, 136; Handelsbl. 22 April 1914, p. 6 k. 1 (avondbl.). De uitdrukking is afkomstig van de gewoonte der honden, die als zij een kat in een boom hebben gejaagd, daar blijven staan blaffen en haar aanstaren, tot zij haar schuilplaats weer verlaatIn Noord en Zuid VI, 284 wordt medegedeeld, dat men te Oudenburg soms hoort zeggen; dat wijf ziet zoo stuur en kwaadaardig, zij zou wel ‘een kater van den boom kijken’.. De hond neemt dus een afwachtende houding aan, hij blaft, springt, staart, doch volgt de kat niet, hij heeft feitelijk niet ingegrepen, doch afgewacht hoe de zaak zal afloopen. Komt de kat eindelijk uit den boom, dan springt hij toe en tracht ze te snappen.

1093. Een kat in den zak koopen,

d.w.z. iets koopen zonder het gezien te hebben; bedrogen uitkomen; mlat. non emitur tuto tibi clausa pecunia sacco. De spreekwijze lezen we bij Goedthals, 50: Men vercoopt gheene catten in sacken, on ne vend point chat en sac; bij Campen, 110: men sal die katte niet in den sack kopen. Zie ook Hooft, Brieven, 170; Willem Leevend II, 300 en vgl. het fri.: in kat yn 'e sek keapje en dy 't mei in boarre (of kater) yn 'e sek rint kin wol miene dat it in kat is, die met een' kater in den zak loopt, mag wel meenen dat het een kat is; iemand kan wel meenen, dat zijn uil een valk is (W. Dijkstra, 355). Ook in het hd. zegt men: die Katze (oder das Schwein) im Sacke kaufen; in het fr. acheter chat en sac (ou en poche); in 't eng.: to buy a pig (in Schotland a cat) in a poke; en in 't ital.: comprare la gatta in sacco. Zie Harrebomée I, 387 en III, 250; 411; Antw. Idiot. 625; Joos, 71; Waasch Idiot. 329 b; Teirl. 116: katten in zakken koopen; benevens W. Dijkstra, Uit Friesland's Volksleven II, bl. 182; Wander II, 1184; Simrock, Handbuch der Deutschen Mythologie, § 128; Sloet, De Dieren in het Germ. Volksgeloof en Volksgebruik, 21; Volkskunde VI, 45; XV, 184; XXII, 59, waar voor den oorsprong der spreekwijze aan een sprookje wordt gedacht, wat onnoodig is, daar de uitdr. zich laat verklaren uit het feit, dat alleen zwarte katten waarde hebben voor den bontwerker.

1094. De kat de bel aanbinden,

d.w.z. den eersten stap doen tot een gevaarlijke onderneming. De uitdrukking is ontleend aan de bekende fabel van de muizen en de ratten, die besloten hadden de kat een bel om te hangen, doch toen het tot de uitvoering zou komen, het geen van allen durfden doen. In de middeleeuwen was de uitdr. bij ons bekend, doch veel vroeger komt in eene Grieksche vertaling van de Pantschatantra een dergelijk verhaal voorBenfey I, § 234.. Vgl. Hist. Gen. 4, 683, 335: Carl van Gelder quam als hij hem toe voren hadde beloft, dat hij hem solde commen onderwinden ende soel dije kat dije bel anbinden (Mnl. Wdb. III, 1239). Zie verder Despars 2, 316; Bib. 257: Om (den cater) de belle an te doene, niemant en darft hem bestaen; Goedthals, 111; Campen, 118; Marnix, Byenc. 73; Breughel, no. 22; Tijdschrift XXI, 84; Pers, 597 a: Den kater de bellen aanbinden; Bank. I, 350; Brederoo, Moortje, 1221; Idinau, 18:

De katte de belle aen-hanghen.
Wien sal de katte de belle aen-hangen?
Vraeghden de muysen, tot vrydoms ver-meeren.
De kat met de bel, soude luttel vanghen,
Maer t' is quaedt sijnen meester verheeren.

Die hen onder-worpen, die komen tot eeren.Willem Leevend VIII, 62; enz. enz. In het fr. luidt zij: attacher le grelot (scil. au chat), mettre la campane au chat; hd. der Katze die Schellen umhängen; nd. de Katt de Bell anhangen; eng. to bell the cat (in 1362); to hang the bell about the cats neck; ital. appicar il sonaglio a la gatta. Zie verder Wander II, 1186; Harreb. I, 45; Ndl. Wdb. II, 1655; 1682; VII, 1795; vgl. het vroegere belbinder, de hoofdaanlegger van iets (Sart. II, 4, 92) en het Vl. de kat de bel aanhangen, iets overal vertellen (Joos, 116); Teirl. II, 116: de katte de bel andoen of anhangen; fri. de kat de bel oanbine.

1095. De kat in 't donker knijpen,

d.w.z. kwaad doen, wanneer niemand het ziet, dus: in 't geniep; heimelijk iets ongeoorloofds doen (Schuermans, 226 a), waarvoor in Oost-Vlaanderen ook gezegd wordt: hij nijpt het in den donker (Schuerm. Bijv. 210 a). Vgl. Harrebomée III, 164, waar ook wordt opgegeven: ‘hij zoent de kat in 't donker’; zie verder Nolet de Brauwere, Ged. II, 207:

Voorzichtig knijpen wij de katjes in den donker,
Op wollen zokken, in 't geniep, als 't niemand ziet.

Schoolm. 102; 132; V. Lennep, K. Zev. 4, 136: Myn Heer dacht misschien de kat in 't donker te knijpen, zoo dat niemand er iets van te weten kwam; Speenhof II, 62:

Hij is van die fijne lui,
Die den schijn vermijden;
Maar de kat in 't donker knijpt
Of de keukenmeiden.

Kalv. II, 144: Dan moest je Hirschfeld eens kennen. Die kneep de kat in donker; Tint. 30: Hij geeft ter sluiks een lonk-er, knijpt de kat in donker; Prikk. V, 26: Denk je, dat wij je niet al lang in de gaten hebben, kereltje? Jij bent een fijn lid! Jij knijpt de kat in het donker, hè?; Nest, 168: Knijp geen katjes in 't donker; M. de Br. 82: Huichelaars die de kat in 't donker knepen; De Amsterdammer, 10 Mei 1914, p. 4 k. 2; Nkr. III, 5 Dec. p. 2; V, 15 Juli, p. 3; VIII, 31 Jan. p. 4; III, 3 Jan. p. 5: Dan kneep die ouwe jonker de muisies in het donker; Teirl. II, 116: de kat (of de katten) in den donkere (of in 't duistere) knippen of nijpen, heimelijk, bedektelijk, schijnheilig verboden dingen doen; Bergsma, 97: de kat in duustern of donkern kniepen. In het fri.: hy knypt de kat yn 't donker of yn 't tsjuster; oostfri.: de kat of sên katte in düstern knipen (Dirksen I, 49). Hoogstwaarschijnlijk wordt met de kat een meisje of eene vrouw bedoeld (vgl. kamerkat, kamenier; eng. cat, meretrix) en wil de uitdr. eig. zeggen: met een meisje in het donker wat stoeien, en bij overdracht in het algemeen: in het geheim kattekwaad doen.

1096. Van de kat (of den hond) of van den kater gebeten worden,

gewoonlijk of men van de kat of den kater (of van den hond) gebeten wordt, is hetzelfde, d.w.z. of men door het eene kwaad of door het andere geplaagd wordt, dat is hetzelfde, ‘als men toch het slachtoffer wordt, is het onverschillig hoe en waardoor’. Zie Harrebomée I, 321; Van Eijk II, nal. bl. 26; Het Volk, 3 Febr. 1913, p. 5 k. 1:

't Kan me niet schelen al word ik geen kiezer,
'k Heb aan die drukte nou eenmaal het land;
'k Word door de kat of den kater gebeten,
Mooie beloften verstuiven als zand!

De Telegraaf, 17 April 1914 (ochtendbl.), p. 1 k. 5: Wat maalt Sijmen Betaal er ten slotte om, hoe het ding heet, waarvoor hij betalen moet? Of hij van de kat of van den kater gebeten wordt? Het Volk, 27 Maart 1914, p. 8 k. 1: Lood om oud ijzer! Of men nu van den hond of den kater gebeten wordt - wat maakt dat uit? Handelsblad, 13 Mei 1914, p. 1 k. 3 (ochtendbl.): De vraag of de belastingschuldigen zullen worden gebeten door den hond of door de kat. Door de registratie of door de directe belastingen. Vgl. het fr. il vaut autant être mordu d'un chien que d'une chienne.

1098. Om der wille van het smeer likt de kat den kandeleer,

d.w.z. ter wille van een voordeel vleit men dikwijls iemand of doet men dingen, die men anders liever zou laten; hd. aus Liebe zum Fett leckt die Katze den Teller oder die Katze leckt den Leuchter aus Liebe zum Talg; ital. per amor del sevo lecca la gatta il candeliere. De zegswijze, die waarschijnlijk aan een oud verhaal ontleend is, vinden we bij Goedthals, 139: Om de minne van den smeere leckt de catte den candeleere; in de Prov. Comm. 560: Om die minne vanden smeere, leckt die catte den candeleere, pinguis amore lucri lambunt candelabra catti; Spieghel, 289; 296. Vgl. Poirters, Mask. 168: Dat de kat de kandelaer leckt 't en is niet om dat sy die geerne soude doen blincken, maer om dat sy het smeir soeckt datter op is ghedropen. En datter veel zijn die sich tot u welvaert teenemael ghenegen toonen, en die u met een ghedienstigheydt soo komen den Bon-jour maken, s'en zijn soo slecht niet, sy weten wel van waer hen den heylighen dagh komt, en die komense t' uwent huyse vieren.

Zie verder V.d. Venne, 253: Om 't Vet leckt de Kat de Braet-Pan; Coster, 509 vs. 388; Cats I, 432; 467; Paffenr. 78; Tuinman I, 187; II, 35; Ndl. Wdb. VII, 1228; Antw. Idiot. 1129; Joos, 141; Waasch Idiot. 602 a: veur 't smeer lekt de kat den kandeleer; 744 b; Harreb. I, 379 a.

1099. Zijn kat (of poes) sturen (of zenden),

d.w.z. niet verschijnen; niet komen, waar men verwacht wordt; Prov. Comm. 699: Tseynt menich sinen hont, daer hi selve niet comen en wil; mlat.: Mittimus interdum quo nolumus ire catellum (Wander II, 856); Valentijn, O.I. II, 2, 128 a; Tuinman II, 201: Hy stiert zyn kat, dat zegt men van yemand, die ergens zelf niet komt, noch daar na omziet, zo dat men zich van hem niet meer bedienen kan, dan of hy zyn kat had gezonden; Harreb. I, 387: Hij stuurt zijn kat, men zegt dit van iemand, wien men te vergeefs wacht, en past het byzonderlijk toe op den persoon, die de voldoening eener achterstallige rekening lang laat uitblijven; Van Eijk, 44; Ndl. Wdb. VII, 1793; De Tijd, 29 April 1914, p. 5 k. 1: Zij wenschten de aanwezigheid van Zijne Excellentie (Theobald von Bethmann Hollweg) in de begrootingscommissie. Maar Theo zond zijn poes in den vorm van een brief aan den voorzitter; De Bo, 498: Hij zendt er zijne katte naar toe, hij wacht zich wel van daar te gaan; hd. er schickt seine Katze, bekümmert sich selbst um die Sache nicht (Wander II, 1204).(Aanv.) Volgens Ndl. Wdb. VII, 1418 ook: Zijn kap sturen of zenden.

1100. Als de kat om de heete brij loopen,

d.w.z. om eene zaak heen draaien, er niet op ingaan, besluiteloos zijn; vroeger ook om ongeduldige begeerte uit te drukken (Cats II, 260 b; De Brune, 150Jan v. Leeuwen (14de eeuw) gebruikt de uitdr. in den zin van ‘zijn voordeel zoeken’: Mer die ghene die nu predicken, bichten, leeren, ende tvolc tsijnre ewegher salicheit weert berichten souden, die gaen bina al omme als die catte omme den heeten brie, soe soekense ende meinense ende besorghense behindelijc hem selven in allen dinghen (Tijdschr. XXXIV, 179).). Vgl. Harreb. I, 90; Nw. School I, 92: Je zwijgt, en als er over geschreven wordt, dan wekje 't medelijden op met examen-allures. In goed Hollandsch: met er omheen te draaien als een kat om de heete brij; De Arbeid, 4 Sept. 1915, p. 1 k. 4: Onze vriend Tamminga heeft er uitstekend slag van om als hij eens een keer tot de orde geroepen wordt over zijn onverantwoordelijk geschrijf, om de zaak heen te draaien als een kat om de heete brij; Het Volk, 29 Juli 1915, p. 2 k. 2: De sprekers waren genoodzaakt, als de kat om de heete brij te loopen, en van een flink protest tegen de veroveringsplannen kon geen sprake zijn; Haagsche Post, 7 Febr. 1920, p. 194 k. 3: Lloyd George draait om het vredesvraagstuk heen als de kat om de heete brij; hd. wie die Katze um den heissen Brei herumgehen oder um den Brei herumgehen; fr. tourner autour du pot; vgl. lat. lupus circa puteum saltat; gr. λυκος περι το φρεαρ χορευει (Borchardt no. 651). Hiernaast dialectisch: Hij loopt als een kat op de heete brei, niet opschieten, iets willen zeggen, maar niet weten hoe het in 't vat te gieten, loopen als de kip die zijn ei niet kwijt kanN. Taalgids, XIII, 133 (op Goeree en Overflakkee)..

1101. De kat in den kelder metselen.

‘Hy heeft de kat in de kelder gemeestert. Dit zegt men van een lapzalver, die een wonde of zweer boven toeheelt, terwijl het quaad onder ineet en verkankert’ (Tuinman I, 313; vgl. ook II, 9); Harreb. I, 385; Van Eijk II, 44; Ndl. Wdb. VII, 1791: De kat in den kelder metselen, de uitbarsting verhinderen, maar 't kwaad laten bestaan; De Telegraaf, 9 Jan. 1915 (avondbl.) p. 7 k. 6: Maar het is de vraag of men naar deze maatregelen grijpend niet ‘de kat in den kelder metselt’. Bij Schuermans, Bijv. 150: de kat in den kelder vermaken of sluiten, enfermer le loup dans la bergerie; De Bo, 498: de katte in den kelder kweeken, iemand in eene plaats laten waar hij veel kwaad kan doen.

1102. Dat is geen kat(je) om zonder handschoenen aan te pakken (of aan te tasten),

d.w.z. dat is een bijdehandje; eene vrouw, die niet op haar mondje gevallen is, die zich goed weet te verweren, van zich af kan bijten; ook wel van mannen gezegd. Op het einde der middeleeuwen was deze zegswijze bekend blijkens Despars, 2, 478: (De Engelschen) die doen ter tijt gheen catten en waren om zonder hantschoen te vanghene. In de 17de eeuw vinden we haar o.a. bij Pers, 641 b; Coster, 534, vs. 1200:

Want nae ick verstae ist reden, dat wy die man schromen,
En 't en is gheen kat om sonder handtschoenen te vanghen.
Hy sel hem weeren.

Zie ook Paffenr. 66; Interest, 266, waar het van Holland gezegd wordt; Halma, 257, waar het ook op ‘een wakker man’ wordt toegepast; Harreb. I, 283; Ndl. Wdb. V. 2001. Ook in het Fransch zegt men: on ne prend pas tel chat sans moufles; eng. she is not to be handled without gloves. In het Nd. luidt de zegswijze: dat is kên Katt sunder Hansken an to faten (Eckart, 249; Wander II, 1169; 1177). Bij overdracht werd (en wordt?) het verder ook gezegd van een netelige zaak, een moeilijk werk; zie Tuinman I, 236. Voor Zuid-Nederland vgl. De Bo, 498: Dat es geen katte om zonder handschoe'n te grijpen zegt men van iemand dien 't gevaarlijk is aan te randen; Teirl. II, 116: 't En es geen katte om zonder handschoenen (of wanten) an te pakken, het is een kerel die zich verdedigen kan; Waasch Idiot. 329 b; Antw. Idiot. 626; Volkskunde IX, 210 of De Cock2, 47; vgl. het mlat. non facile manibus vacuis occiditur ursus.

1103. De kat bij 't spek zetten,

iemand in de verleiding brengen, hem gelegenheid geven om kwaad te doen; ook zich wetens schade berokkenen, den vijand in huis halen. Hiernaast vroeger de kat de boter of de zoete melk bevelen; de kat de kaas betrouwen; de kat in de schapraai (of in de spinde) sluiten (Zuidndl.). Zie Harrebomée I, 385: Dat is de kat bij 't spek gezet; Prinsen, Bredero, 120: Aan dit onechte Moortje (Writsart) draagt Mooy Ael de bijzondere zorg voor Katrijntje op. De kat bij het spek dus; Haagsche Post, 8 Juni 1918, p. 681 k. 4: Overigens is de vraag gewettigd, hoe iemand, die zooveel op zijn kerfstok heeft als die persoon in kwestie, korporaal in het Nederlandsche leger kan worden of blijven, en verder hoe iemand met dergelijke antecedenten juist aan onze ‘frontières menacées’ werd geplaatst: dat is toch de kat op het spek binden.

1106. Als de katten muizen, dan mauwen ze niet.

Deze zegswijze wordt gebezigd, om te kennen te geven, dat als menschen (vooral kinderen) eten, ze niet praten, maar stil zijn; vgl. mnl. muset wel maer en mauwet niet, eet met uw mond, maar spreek er geen kwaad mee. Ook in duitsche dial. komt voor wenn de Katte miuset, dann miauet se nit; wenn die Katze frisst, miaut sie nicht; zie Wander II, 1180-1190; Ten Doornk. Koolm. II, 187 a; Van Eijk, II, 48; Harreb. I, 384 b en vgl. Sewel, 501: Hy muist maar hy maauwt niet, he eats but speaks not a word; Halma, 363: Hy muist wel, maar hy meeuwt niet, il mange beaucoup mais parle peu; Joos, 167: Katten die muizen vangen, mauwen niet, d.i. menschen die wèl doen, beroemen zich daar niet over; fri.: as de katten mûzje, miauwe se net (ook van een vrijer, die zijn meisje omhelst).

1107. Het katje van de baan,

d.w.z. de eerste; vooral onder schooljongens; de baas, de aanvoerder, het haantje de voorste, het haantje van de buurt. Het znw. baan moet hier worden opgevat in den zin van ‘publieke weg’ (Ndl. Wdb. II, 810) en kat in dien van den voornaamste, den belhamel, welke bet. door Sartorius IV, 74 wordt opgegeven: 't Katteken zijn, de bel-hamel wesen, de eo qui certos omnes vincit ac superat. In de 17de eeuw vinden we de uitdr. o.a. bij Huygens VI, 272 en 298: (Hij) socht nergens baes te zijn of 't kattje vande baen; Spaan, 197: Dezen boerschen student overtrof de steedsche in alle ondeugendheid zoodanig, dat hy 't katje van de baan genoemd wierd. Zie ook Halma, 257: Hy is het katje van de baan, hy is de voornaamste of de meester van allen; Waasch Idiot. 329 b: Het katje van de baan zijn, de bijzonderste, de felste zijn. Afrik. Die katjie van die baan, die eerste in plesier.

1119. Hij meent dat keizers kat zijn nicht is.

In de 18de eeuw aangetroffen bij Tuinman II, 56: ‘Zy meent dat 's Keizers kat haare nicht is. Dit zegt men schertzende van eene, die zich belachelyk laat voorstaan, dat zy voor wat groots moet aangezien worden’; Wolff en Deken, Willem Leevend I, 257: Nu beelt gy UE. magtig wat in en denkt, dat 's keizers kat jen nigt is, en och heer! het biest kent je niet eens; Adagia, 33: Hy meynt dat Keysers kat syn nichte is, omnes prae se contemnit; Van Eijk II, 50; Harreb. I, 387; Nkr. III, 1 Aug. p. 2: Die heeren voeren 'n toontje alsof keizers kat hun nicht is. De zegswijze is ook algemeen in Zuid-Nederland bekend; zie Antw. Idiot. 626: Meenen dat 's keizers kat uw nicht is, zich veel laten voorstaan, trotsch zijn; Rutten, 108; De Bo, 498: Zou men niet zeggen dat keizers kat zijne nicht is, en 't en is geen vriend, zegt men van eenen trotschaard; Teirl. II, 115; Ndl. Wdb. IX, 1931; VII, 1793.

1849. Voor de poes (of de kat) zijn,

d.w.z. verloren zijn, eig. gezegd van een muis of een vogel, die een prooi voor de poes is, dus onherroepelijk verloren is; vgl. De Telegraaf, 16 Dec. 1914 (avondbl.), p. 1 k. 4: Men moet daar (in de loopgraven) 's nachts afgelost worden, anders is men voor de poes. Men riskeert daar zijn huid, maar 't is voor 't vaderland. Vgl. voor het garen zijn (jachtterm) en het Zuidnederlandsche hij is een vogel voor de kat (= verloren; Welters, 95 en vgl. Schuermans, 226 a; Waasch Idiot. 329 b; De Bo, 498 a en aldaar 201 b: voor de busse (kuiltje bij 't knikkeren) zijn, ongeneeslijk zijn, moeten sterven). Niet voor (of van) de poes zijn, d.i. geen kleinigheid zijn, niet eenvoudig, gemakkelijk zijn, niet mis zijn; syn. niet van de kat zijn (verouderd); vgl. Falkl. V, 206: Avonturen die lang niet voor de poes zijn; bl. 218: Deze vraag is lang niet voor de poes; Nw. School, III, 329: Maar 't (examen) is niet voor de poes. Je moet dóórzetten; Antw. Idiot. 984; Loquela, 398. Van personen: niet van geringe waarde zijn; niet gemakkelijk zijn, zijn man staan (vgl. V. Janus, 294; 296; Molema, 330 a; Nw. School, III, 293: Nee, dan is die Pool toch niet voor de poes); eig. gezegd van spijzen, die niet aan de kat gegeven worden, dus: geen spijs zijn, die men weggooit of aan de kat geeft; vgl. het fr. c'est de la bouillie pour les chats; hd. das ist für die Katze, dat is iets van weinig waarde, van weinig beteekenis; nd. vör de Hun'n gahn (kamen), te gronde gaan (Reuter, 49 b). Synoniem was: hij is voor de plank; -voor de pieren; Harreb. II, 187 b; 180 b; Ndl. Wdb. VII, 1792; 1793; Van Eijk II, 43; Nal. 42; zie no. 741.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut