Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

kastijden - (tuchtigen, straffen)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

kastijden ww. ‘tuchtigen, straffen’
Onl. *kestigon ‘straffen’, in kestegoda (3e pers. ev.) ‘strafte’ [10e eeuw; W.Ps.]; mnl. castien ‘trachten te verbeteren, onderrichten’ [1240; Bern.], ‘terechtwijzen door straffen’ in si ginc tehant ... har lijf castien ende pinen ‘ze ging onmiddellijk haar lijf tuchtigen en pijnigen’ [beide 1265-70; CG II, Lut.K], ‘terechtwijzen met woorden’ in ende hi begonste tfolc castien, met worden van phylosophyen ‘en hij begon het volk te onderrichten, met teksten van wijsgeren’ [1285; CG II, Rijmb.], castyen ‘pijnigen, plagen, martelen’ [1477; Teuth.]; vnnl. kastijen, kastijden ‘berispen, straffen’ [1599; Kil.].
Ontleend aan Latijn castīgāre ‘berispen, terechtwijzen; straffen, tuchtigen’, wrsch. oorspr. ‘zuiveren’, afgeleid van het bn. castus ‘rein, fatsoenlijk, sober, vroom’, zie → incest.
De Latijnse plofklank g werd in het Nederlands een /j/, mnl. castien /kas-tī-jen/. Ook in de Oudnederlandse attestatie kan de spelling g al op een /j/ duiden. Onder invloed van de d in verleden tijd en verl.deelw. ontstond hierbij in het Vroegnieuwnederlands een nieuwe infinitief castīden > nnl. kastijden (vergelijk dezelfde ontwikkeling in bijv.belijden < mnl. belien, → wijden < mnl. wien); ook hypercorrectie speelt hierbij een rol. Het Oudnederlandse *kestigon heeft e door umlaut van de Latijnse a voor de i in de volgende lettergreep.
Uit het Latijn: ohd. kestigōn ‘kastijden’ (mhd. kestigen); Nederrijns kastīgen (waaruit nhd. kasteien, gebruikt door Luther en daardoor standaardtalig geworden). Via het Oudfrans: me. chast(i)en ‘kastijden’ (ne. chasten ‘zuiveren, louteren; matigen’), daarnaast me. chastysen (ne. chastise ‘kastijden, tuchtigen, streng straffen’); ne. castigate ‘id.’ is een jongere ontlening uit het Latijn.
In het christelijk Latijn werd het werkwoord castigare ‘onderrichten, de waarheid vertellen; vermanen, berispen; straffen, tuchtigen’ vooral gebruikt in de context van religieuze en morele opvoeding, en dit geldt ook voor Middelnederlands castien. Al in het Middelnederlands verschoof de betekenis steeds meer naar ‘berispen’ en ‘lichamelijk straffen, tuchtigen’; in het Nieuwnederlands is dat laatste de enige overgebleven betekenis, waardoor kastijden min of meer synoniem is geworden met → tuchtigen.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

kastijden [tuchtigen] {castiën 1201-1250 en met hypercorrecte d, castijden 1566-1568} < latijn castigare [tuchtigen, straffen, verbeteren, bedwingen], van castus [rein, kuis, vroom] (vgl. kaste).

P.H. Schröder (1980), Van Aalmoes tot Zwijntjesjager, Baarn

kastijden

Dat dit woord in een bijzondere sfeer thuishoort, dat het enigermate plechtig is, wordt bewezen door de uitspraak: daarin is de d gehandhaafd, terwijl die in rijden, snijden, glijden enzovoorts niet wordt uitgesproken. Dit plechtige karakter heeft het woord allengs verworven. Luther schrijft nog: casteijen. Kastijden is als Bijbels-Christelijke term ontleend aan het Latijnse castigare: terechtwijzen, berispen, prediken, straffen. Die laatste betekenis is meer en meer gaan overheersen. Het middel om iemand tot deugd (terug) te brengen was in de Middeleeuwen de tuchtiging, de lichamelijke straf. Het vlees kastijden wil zeggen: zichzelf tuchtigen, maar ook: zich bewust een bepaald genoegen ontzeggen.

Het Vlaams kent ook: boter of vlas kastijden. Wij zeggen dan: kneden of zwingelen.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

kastijden ww., mnl. castîen, zelden castîghen, ook castîden ‘terechtwijzen, berispen, kastijden, prediken’; evenals onfrank. kestegon ‘angere’, ohd. chastigōn, chestigōn (nhd. kasteien), mnd. kastīen ‘kastijden’, een woord dat met de verbreiding van het Christendom overgenomen werd < lat. castīgāre ‘terechtwijzen, straffen’.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

kastijden ww., mnl. castîen, zelden castîghen, ook reeds castîden (met jongere d, vgl. belijden) “terechtwijzen, berispen, kastijden, prediken”. Evenals onfr. kestegon (“angere”), ohd. chastigôn, chestigón (: nhd. kasteien), mnd. kastîen “kastijden” uit lat. castîgâre “terechtwijzen, straffen”; niet uit dial. ofr. (pic.) castier ( = ofr. chastier, fr. châtier) “id.” Het mnl., mnd. woord (dgl. vormen ook mhd., nhd.) is een jongere ontl. dan het onfr., ohd. In beide perioden is castîgâre als Christelijke term ontleend.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

kastijden. Voor de d vgl. belijden Suppl.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

kastijden o.w., met epenthet. d onder invloed van 't imp., Mnl. castiën, dat, gelijk Hgd. kasteien, Eng. chastise en Fr. châtier, uit Lat. castigare = zuiveren, een afleid. van castus (z. kaste).

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

kastijden (Latijn castigare)

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Kastijden van ’t kerkelijk Lat. castigare = tuchtigen, eig. zuiveren (nl. van de zonde, door boetedoening), van ’t Lat. castus = zuiver.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

kastijden tuchtigen 1240 [Bern.] <Latijn

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

1090. De Heer kastijdt dien Hij liefheeft.

Een opwekking om geduldig te dragen de beproevingen die God ons zendt, daar Hij hiermede het heil van Zijn schepsel bedoelt. De spreekwijze is ontleend aan den Bijbel; zie Openb. 3, 19: Soo wie ick lief hebbe, die bestraffe ende kastijde ick; Hebr. 12, 6: Want dien de Heere lief heeft, kastijdt hy; vgl. Ndl. Wdb. VII, 1771.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal