Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

kastelein - (herbergier)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

kastelein zn. ‘herbergier’
Mnl. castelein ‘slotvoogd, ambtenaar-beheerder van een kasteel’ [1220; Stall. II], dan ook ‘opzichter van een gebouw of instelling’, zoals in castelain van der Kuere ‘opzichter over het rechtsgebied’ [1493; Stall. II]; vnnl. casteleyn van de ghevangenisse [1527; Stall. II], den concierge of castelein van den scepenhuse [1549; WNT], Kastelein van den Hove ‘bewaarder van het prinselijk hof in 's-Gravenhage’ [1584; WNT]; nnl. in voorname Logementen ... de Kasteleins, (dus dient men nu de Waerden wel te noemen ...) [1733; WNT], ik vroeg den Kastelein, (in myn jeugd zou men Waard gezeit hebben) [1782; WNT], die ellendige kroeghouders, die men hier zo wel als elders castelijns noemt [1793; WNT], kastelein van de concertzaal [1840; WNT].
Ontleend aan Oudpicardisch castellain, het equivalent van Frans châtelain [ca. 1155; Rey], uit Latijn castellānus ‘bewoner van een fort’, afleiding van castellum ‘fort, vesting’, zie → kasteel.
In het Middelnederlands was een kastelein iemand met een hoge positie in een kasteel, een betekenis die tot in het Vroegnieuwnederlands bleef bestaan. Daarna breidde de toepassing van het woord zich uit tot andere gebouwen. De constante factor was dat een kastelein een gebouw beheerde en bestuurde in opdracht van een eigenaar of een overheid. Intussen verouderde de oorspr. betekenis, waarvoor namen als kasteelheer en burggraaf gebruikelijker waren geworden. Ook de jongste betekenis ‘waard, herbergier, kroegbaas’ is nu enigszins verouderd.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

kastelein [caféhouder] {castelein [slotvoogd, burggraaf] 1280} < latijn castellanus [van een fort, bewoner van een fort], van castellum [fort], verkleiningsvorm van castrum [kasteel, fort].

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

kastelein znw., mnl. castelein m. “slotvoogd”. Uit een pic. vorm van fr. châtelain < mlat. castellânus. Hieruit mhd. kastelân m.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

kastelein (Latijn castellanus)

E. Sanders (1997), Borrelwoordenboek: 750 volksnamen voor onze glazen boterham , Den Haag

kasteleintje Het laatste beetje uit de jeneverfles, dat in kroegen gratis wordt geschonken. De borrelnaam, onlangs gehoord in Amsterdam, is genoemd naar de persoon die dit restje behoort uit te schenken. Het laatste beetje uit de jeneverfles staat beter bekend als amsterdammertje of rotterdammertje. In Limburg noemt men dit gratis bodempje flessengeluk.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

kastelein ‘caféhouder’ -> Duits dialect † Kasläin, Kaslein, Kastelein ‘caféhouder, heer des huizes; langbenige, onbeholpen jongen’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

kastelein caféhouder 1733 [WNT] <Latijn

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut