Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

kasteel - (kleine vesting, burcht)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

kasteel zn. ‘kleine vesting, burcht’
Mnl. casteel ‘versterkte woning’ in dar bi dar stuot ein casteel alde ‘daarbij stond een oud kasteel’ [1220-40; CG II, Aiol], soms ook castel ‘kleine burcht’ [1240; Bern.].
Ontleend aan Oudpicardisch castel ‘kasteel’, het equivalent van Oudfrans chastel ‘id.’ [1080; Rey] (Nieuwfrans château), uit Latijn castellum ‘fort, vesting’ (middeleeuws Latijn ook ‘versterkte stad’), verkleinwoord van castrum ‘versterkte plaats’, dat vooral voorkwam in het meervoud castra ‘omheind legerkamp’. Men veronderstelt voor castrum een oorspr. betekenis ‘afgescheiden stuk grond’ en leidt het af van het werkwoord castrāre ‘afsnijden, kappen’.
Latijn castrāre, beter bekend in de betekenis ‘castreren’, zie → castreren, is misschien verwant met: Grieks keázein ‘splijten, verbrijzelen’; Sanskrit śásti ‘hij snijdt’, śastrá- ‘mes’; Oudkerkslavisch kosa ‘sikkel, zeis’ (Russisch kosá ‘zeis’); Middeliers cess ‘speer’; < pie. *ḱes- ‘snijden’ (IEW 586).

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

kasteel [burcht] {caste(e)l, castele, cassel 1220-1240} < picardisch castel < latijn castellum [versterkte plaats, fort, vesting, kasteel], verkleiningsvorm van castrum met dezelfde betekenis.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

kasteel znw. o., mnl. casteel m. o. ‘burcht, kasteel, vesting, kleine stad’ < pikard. castel = ofra. chastel (nfra. château) < lat. castellum. — Overdrachtelijk betekent mnl. casteel ook ‘(versterkte) achtersteven van een schip’ > mnd. kastēl.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

kasteel znw. o., mnl. casteel m. o. “burcht, kasteel, vesting, kleine stad”. Uit pic. castel = ofr. chastel, fr. château (< lat. castellum). Ook in ’t Mhd. ontleend. Mnd. kastêl o. “(versterkte) achtersteven van een schip” komt van mnl. casteel in deze bet.

[Aanvullingen en Verbeteringen] kasteel. Adde: ags. castel (l, ll) m. “kasteel, burcht” (eng. castle). Ohd. os. ags. kastël o. “vlek, dorp, plaats” (van bijbelsche plaatsen) uit het Lat.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

kasteel. Uit het Fr. ook ags. castel m. ‘kasteel’ (eng. castle), uit het Lat. ohd. os. kastël, ags. castël o. ‘dorp, plaats’ (van bijbelse plaatsen): v.Wijk Aanv.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

kasteel o., Mnl. casteel, uit Ofra. castel (thans château), van Lat. castellum, dimin. van castrum = sterkte.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

kestiel (zn.) kasteel; Vreugmiddelnederlands casteel <1220-1240>.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

kasteel (Picardisch castel)

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Kasteel, Oudfr. castel (thans château) van ’t Lat. castellum, verkleinw. van castrum = sterkte, (vgl. Kesteren: Romeinsche legerplaats.)

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

kasteel ‘burcht’ -> Fries kastiel ‘burcht’; Indonesisch kastil ‘toren (in schaakspel)’; Tamil dialect kastēlai ‘burcht’ (uit Nederlands of Portugees); Mahican găstēnik ‘Fort Albany, het Nederlandse fort’; Negerhollands kastell ‘burcht, vestingwerk’; Papiaments kastel ‘burcht’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

kasteel burcht 1220-1240 [CG II1 Aiol] <Frans

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

2670. Zuinigheid met vlijt bouwt huizen als kasteelen

Deze lof op de zuinigheid, die groote bezittingen doet verwerven, vindt men ook in het Latijn: magnum vectigal est parsimonia, zuinigheid is een groot inkomen (Cic. parad. 6, 3, 49; Senec. monit. 22). Het gezegde trof ik het eerst aan bij Harreb. I, 345; Nkr. IX, 28 Aug. p. 2: Hij weet dat men slechts met zuinigheid en vlijt een huis bouwt zoo duurzaam als een kasteel; Joos, 187: Spaarzaamheid met vlijt bouwt huizen gelijk paleizen. Sparen is een goede rent. Sparen leert vergaren; enz. Wander IV, 662: Sparsamkeit und Fleiss machen kleine Häuser gross. Sparsamkeit ist ein groszer Zoll. Sparen bringt Haben. (Aanv.) Somtijds wordt hier aan toegevoegd: en luizen als kameelen..

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut