Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

kastanje - (boomsoort (geslacht Castanea en Aesculus))

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

kastanje zn. ‘boomsoort (geslacht Castanea en Aesculus)’
Mnl. castanie als vertaling van Latijn castanea ‘kastanje(boom)’ [1240; Bern.], Castania ... es .i. boem die te dragene pleget vrucht diemen castanien heetet ‘Castanea ... is een boom die vruchten draagt die men kastanjes noemt’ [1287; CG II, Nat.Bl.D], sie raepten castaengen in dat wout ‘ze raapten kastanjes in het bos’ [1300-50; MNW-R]; vnnl. van Castanien ‘over kastanjebomen’ [1608; WNT].
Ontleend via het Picardische equivalent castagne van Oudfrans chastaigne (Nieuwfrans châtaigne) aan Latijn castanea ‘tamme kastanje’, ontleend aan Grieks kastanéa ‘tamme kastanje (de boom)’, dat wrsch. een leenwoord uit Klein-Azië is; in het Armeens bestaan de vormen kaskeni ‘kastanjeboom’ [12e eeuw; Pfeifer] en kask ‘kastanje’. Het woord is via het Grieks en Latijn overgenomen in de meeste andere talen in Europa.
Oorspr. is kastanje de naam van de tamme kastanje (Castanea sativa) uit de beukenfamilie; deze boom is in Europa niet inheems, maar werd wrsch. in de 5e eeuw vanuit Perzië ingevoerd en gedijde ook in de Lage Landen op kalkarme droge grond goed. Niet verwant met de tamme kastanje is de Paardenkastanje (Aesculus hippocastanum) uit de paardenkastanjefamilie, die inheems is in Noord-Griekenland en Albanië, maar vanaf de 17e eeuw in de Lage Landen overvloedig is aangeplant. Mnl. castanie slaat dus altijd op de tamme kastanje. De paardenkastanje heet zo naar de vruchten die enigszins lijken op die van de tamme kastanje; het eerste lid paard is een vertaling van hippo- ‘paard’ in de Latijnse naam. Voor hippo- is geen bevredigende verklaring, misschien wordt er verwezen naar de geneeskrachtige werking die de voor de mens giftige vruchten hadden bij bepaalde paardenziekten.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

kastanje [vrucht] {castaenge, carstaenge, kerstaenge 1201-1250} < picardisch castagne < oudfrans chastaigne < latijn castanea < grieks kastanon [kastanje], ontleend aan een kleinaziatische taal, vgl. armeens kask [idem]; de Romeinen hebben de kastanje in Noordwest-Europa ingevoerd. De uitdrukking iemand de kastanjes uit het vuur laten halen is ontleend aan een fabel van La Fontaine, waarin de aap de kat er met vleierij toe brengt de hete kastanjes uit het vuur te halen.

P.H. Schröder (1980), Van Aalmoes tot Zwijntjesjager, Baarn

kastanje

Kastanje is de naam van een boom en van de daaraan groeiende vrucht. Wij hebben het woord reeds lang geleden ontleend aan het Frans. Daar luidde het castagne, in het hedendaagse Frans châtaigne. Castagne gaat weer terug op het Latijnse castanea en waarschijnlijk is dit oorspronkelijk de plaatsnaam Castanea in Klein-Azië of Castana in Griekenland. Men onderscheidt de eetbare tamme, makke of zoete kastanjes en de oneetbare wilde of dolle kastanjes. De eerste heten in het Italiaans marroni, in het Frans marrons. In het Spaans heet de kastanje castaña. Het verkleinwoord luidt castañeta, tevens de naam voor de Spaanse dansklappers, zo genoemd naar de uiterlijke gelijkenis met de kastanje.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

kastanje znw. v., mnl. castaegne, castanie, reeds in de Romeinse tijd aan de Nederrijn en in het Moezelgebied overgenomen < lat. castanea, daar de Romeinen deze boom hier bekend maakten (Frings, Germ. Rom. 67-68, die nog andere vormen in nhd. dialecten vermeldt). Het lat. woord gaat terug op gr. (kárua) kastáneia waarmee de vruchten aangeduid werden, terwijl kástanon de boom betekende. Het griekse woord stamt evenals arm. kask ‘kastanjevrucht’ uit een vooraziatische taal.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

kastanje znw., mnl. castaenge, castānie v. Uit noord-ofr. castagne (: fr. châtaigne). Dit gaat op gr.-lat. castanea “kastanje” terug, dat òf van den plaatsnaam Castana in Pontus òf van arm. kaskeni “kastanjeboom” wordt afgeleid. Een oudere ontl. uit het Lat. of Rom. is ohd. chestinna v. (nog opperdu. kheštǝ), evenals ags. *ciesten, cysten, cystel v. (eng. chestnut). Ohd. castânie is een geleerde ontl. uit het Lat., door geleerden invloed is ook nhd. kastanie v. te verklaren.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

kastanje v., gelijk Hgd. id. van Lat. castaneam (-ea), Gr. kastaneía, afgel. van den naam der stad Castana in Pontus. Uit het Lat. ook Fr. châtaigne en Eng. chestnut.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

kerstaanjel (zn.) kastanje; Vreugmiddelnederlands castanie <1240> < Frans castagne.

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

kastan’je (de, -s), zaad van de kastanjeboom*. De kastanjes uithalen en wassen (S&S 37). - Etym.: Er is enige gelijkenis in de vorm met AN k. = zaad van tamme kastanje (Castanea sativa, Beukenfamilie) en paardekastanje (Aesculus hippocastanum, Paardekastanjefamilie), twee o.m. in Ned. voorkomende bomen. Oudste vindpl. Kuhn 1828: 77 (castagne).

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

kastaiing: vrug- en pln. (spp. Castanea, fam. Fagaceae; wildekastaiing, Calodendron capensis, fam. Rutaceae); Ndl. kastanje (Mnl. castaegne/castanie, volkst. o.a. kar-/ker-/korstanje/-staaie/ka(r)steng) uit NFr. castagne (Fr. châtaigne) uit Lat. castanea, Gr. kastanea, wat verb. hou òf m. naam v. Castanea in Pontus òf m. dié v. Castana in Thessalië, vgl. ook Eng. chestnut.

Thematische woordenboeken

F. Kok (2007), Waarom brandnetel?, Nieuwegein

Kastanje (tamme), Castanea sativa
Castanea: Latijns voor Kastanje, het woord komt oorspronkelijk uit Turkije.
Sativa: deze plant wordt gekweekt.
Tamme kastanje: het Nederlandse woord kastanje is afgeleid van het Latijnse woord ‘castanea’. Tamme slaat waarschijnlijk op het feit dat het gaat om eetbare kastanjes.

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

kastanje (Latijn castanea)

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Kastanje, Gr. kastaneia, Lat. castanea, wordt afgeleid van Kastana, stad in Pontus, welk woord weer ontleend schijnt aan ’t Armenische kaskeni = kastanjeboom.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

kastanje vrucht 1240 [Bern.] <Frans

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

1089. De kastanjes uit het vuur halen,

d.w.z. een gevaarlijken arbeid verrichten voor een ander, die zich zelven buiten schot houdt en er het voordeel van geniet; hd. die Kastanien aus dem Feuer holen; fr. tirer les marrons du feu; eng. to pull the chestnuts out of the fire; ‘de keutels voor een ander oprapen’.N. Taalgids XIII, 133. De spreekwijze is ontleend aan de fabel, dat een aap, die kastanjes uit het vuur wilde halen en bang was zich te branden, hiervoor den poot van een daarbij liggenden slapenden hond gebruikte; vgl. Lafontaine, lib. IX, fab. XVII, waaraan zij echter niet is ontleend, daar de fabel reeds in de 16de eeuw bij ons bekend was; zie Harrebomée III, 100 en vgl. Vondel I, 501; Idinau, 214:

De simme kastanien uyt den viere track
Met des hondts poot, daer neffens slapende.
So doen som profijt, met t' meeste ghemack,
Met eens anders perijckel; daer-op gapende.
Godt is de schalkaers oock wel betrapende.

Zie verder Ndl. Wdb. V, 1584; VII, 1746; Waasch Idiot. 329 a; Büchmann, 272 en Wander II, 1164.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut