Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

kast - (opbergmeubel)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

kast zn. ‘opbergmeubel’
Mnl. caste ‘kist; voorraadschuur’ in in die arke ochte caste ‘in de (heilige) ark of kist’ [1380-1400; MNW-P], op solren of in casten ‘op zolders of in voorraadmagazijnen’ [1374-1425; MNW], alle zout, dat ... vercoft wert, het zij uten casten of anders ‘al het zout dat verkocht wordt uit de magazijnen of wat dan ook’ [1460-86; MNW], hoer cassen bleven vastgheladen ‘hun voorraadschuren bleven volgepakt (ze verkochten niets)’ [1470-90; MNW-R]; vnnl. kast, kaste ‘kast, bergmeubel’ in kisten, schapperaeyen, kastjens in de mure ... zijn begrijpplaatsen ‘kisten, plankenkasten, kastjes in de muur zijn bergplaatsen’ [1662; WNT].
Wrsch. ontleend aan het Duits, zowel in de verouderde betekenis ‘voorraadschuur’ als in de betekenis ‘bergmeubel’. Het woord bestaat verder alleen in het Duits en is daar veel ouder dan in het Nederlands: Oudhoogduits kasto ‘kist, reservoir’ [8e eeuw; Pfeifer], Middelhoogduits kaste ook ‘graanschuur’, met de -n uit de verbogen naamvallen Nieuwhoogduits Kasten ‘kist, doos, uitstalkast, brievenbus’ en vele andere betekenissen, die ook regionaal variëren, bijv. in het noorden ‘latafel’ en in het zuiden en in Oostenrijk en Zwitserland ‘opbergmeubel, voorraadkast’. Deze laatste betekenis was ten tijde van het ontstaan van Nederlands kast ‘opbergmeubel, voorraadkast’ veel algemener en is pas daarna in de standaardtaal vervangen door Schrank.
De etymologie van het Duitse woord is onzeker, maar wrsch. is het een erfwoord, uit pgm. *kasa-, hetzelfde woord als → kaar, maar zonder grammatische wisseling, zoals in got. kas ‘vat, ton, kruik’. De -t- kan dan een afleidingsachtervoegsel zijn of een paragogische -t zoals in Palast ‘paleis’ of kan zijn ontstaan onder invloed van het al veel eerder aan het Latijn ontleende en betekenisverwante Kiste, zie → kist. In het Duits bestaan nog de synoniemenparen Fischkar en Fischkasten ‘viskaar’, Brunnenkar en Brunnenkasten ‘ombouw van een fontein’. Een alternatieve verklaring gaat uit van een primaire betekenis ‘graanbergplaats’ die zich ontwikkeld zou hebben uit ‘opgeworpen berg koren’; het zou dan verwant zijn met on. kóstr ‘hoop, stapel’ en kasta ‘gooien’.
De betekenis ‘heilige ark’ in de geïsoleerde oudste vindplaats komt overeen met de algemene betekenis die mnl. casse had, zie → kas, en zal dus wel het gevolg zijn van interferentie tussen deze twee woorden. Het omgekeerde is gebeurd in de eveneens geïsoleerde Middelnederlandse vindplaats casse ‘voorraadschuur’ uit 1470-90.
Hoewel kast ‘bergmeubel’ in 1662 voor het eerst wordt aangetroffen, lijkt het woord pas in de tweede helft van de 18e eeuw ingeburgerd te raken, eerder gebruikte men in deze betekenis vaker kas. Men heeft kast in de eerste eeuwen na ontlening dus blijkbaar met → kas willen associëren, wat versterkt kan zijn door het feit dat de verkleinwoorden kastje en kasje hetzelfde klinken. Overdrachtelijke betekenissen als ‘slecht rijtuig, studentenkamer, groot huis’ en samenstellingen als proviandkast, brandkast, poppenkast, hoerenkast verschijnen pas op grote schaal vanaf de 19e eeuw.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

kast [opbergmeubel] {cast(e) [korenschuur, magazijn] 1364-1365} < hoogduits Kasten, oudhoogduits chasto, misschien verwant met kaar1; het woord is vrijwel samengevallen met kas [kast].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

kast znw. v., mnl. caste ‘korenschuur, magazijn’, mnd. kast, kass, kaste ‘bewaarplaats, relikwieënschrijn, bruidskist, gevangenis’ (waarvan de bet. dus dezelfde zijn als die van mnl. casse!), ohd. chasto, nhd. kasten ‘kast, kist’. — Gewoonlijk verbindt men dit woord met de groep van kaar, wat dan zou wijzen op een latwerk van planken.

De woorden kas en kast zijn blijkbaar door elkaar gelopen. — Indien men uitgaat van de bet. ‘korenschuur’ van mnl. caste, rijnlands kaste ‘korenkist; graanschoven op de akker’, zwits. kasten ‘grote graankist’, dan kan men aanknopen aan on. kǫstr ‘hoop’, nnoorw. kost ‘houtstapel’ die bij kasta ‘werpen’ behoren en die men verder verbinden kan met on. kǫs ‘hoop, stapel’ (Sperber WS 6, 1914-5, 32 vlgg). Dit woord verbindt men verder met oiers gall (< *gasla), lat. agger (< *ad-geso) ‘aarden wal’, congeries ‘hoop’ (AEW 342). — Men zou dan moeten uitgaan van ‘graanhoop’ en dan > bergplaats voor het graan, graankist > kist in het algemeen. Bij deze ontwikkeling kan dan het woord kas meegewerkt hebben (met paragogische t?).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

kast znw., niet bij Kil., mnl. (noordndl.) caste v. “korenschuur”. In de bet. “kast” een ontl. uit het Du.: ohd. chasto, nhd. kasten m. “kast, kist”. In mnd. kast, kass, kaste v. m. “bewaarplaats, reliquieënschrijn, vatting van een edelsteen in een ring, kist (van een bruid), gevangenis” schijnen kast en een met mnl. casse overeenstemmend woord (zie kas) door elkaar geloopen te zijn. Wsch. verwant met kaar. De combinatie van deze woorden met ier. ticsath “tollat, tollito”, lat. gero “ik draag, voer”, on. kasta “werpen” (eng. to cast uit het Noorsch) is zeer onzeker.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

kast. De jongere bett. in het Ndl. zijn voldoende te verklaren uit invloed van, resp. dooreenlopen met kas; het is overbodig ontl. uit het Du. aan te nemen.
De combinatie met on. kasta ‘werpen’ verdient meer aandacht na het pleidooi van Sperber WuS. 6, 32 vlg. Het naast verwant is dan on. kǫstr. m. ‘hoop, stapel’ (bij kasta). Uit de bet. ‘stapel, hoop’ (vooral van graan e.d.) zou zich die van ‘bergplaats’ (van graan e.d.) hebben ontwikkeld (vgl. eventueel ndl. hok naast de ald. sub 2 genoemde woorden); mnl. caste ‘korenschuur’ en zwits. kasten ‘grote kist voor graan’ staan wellicht het dichtst bij de oudste bet. Met deze etymologie is de combinatie met kaar moeilijk te verenigen, tenzij men met Sperber t.a.p. 33 ook voor got. kas enz. (zie kaar) een grondbet. ‘hoop, stapel’ wil aannemen wegens on. kǫs v. ‘hoop, stapel’.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

kast v., uit Nhd. kasten (Mhd. kaste, Ohd. chasto), misschien verwant met kaar, niet met kas noch kist.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

kas (zn.) kast; Middelnederlands caste <1380-1400> < Duits Kasten.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

kas I: (gew.) meubelstuk v. hout, met of sonder deur en/of laaie, om iets in te bêre; Ndl. kast (Mnl. caste, “koringskuur”, maar nie by Kil nie), in huidige bet. blb. ontln. aan Hd. kasten (Ohd. chasto), ontw. v. bet. wsk. as volg: “graanhoop ... graanskuur ... graankas ... kas” (in die alg.), maar die wd. het van vroeg af deureengeloop met kas II.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

kast (Duits Kasten)
Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

kast ‘opbergmeubel’ -> Ests kast ‘kist, doos’ (uit Nederlands of Duits); Frans chaton ‘kas, zetting, gekaste edelsteen’ Frankisch; Tamazight (Noord-Marokko) l-kasta ‘opbergmeubel’; Zuid-Afrikaans-Engels kas ‘opbergmeubel’ ; Indonesisch kas ‘opbergmeubel; houten kist’; Ambons-Maleis kas ‘de bank waar de hoofden zitten in de Maleise kerk’; Javaans kas ‘pakkist’; Kupang-Maleis kas ‘de bank waar de hoofden zitten in de Maleise kerk’; Menadonees kas ‘klerenkast’; Soendanees kas ‘kist, pakkist’; Ternataans-Maleis kas ‘de bank waar de hoofden zitten in de Maleise kerk’; Amerikaans-Engels dialect † coss ‘opbergmeubel’; Negerhollands kās, kaśi, kas ‘opbergmeubel’; Berbice-Nederlands kasi ‘kist, doos’; Papiaments kashi (ouder: kasji) ‘opbergmeubel’; Sranantongo kasi ‘opbergmeubel’; Sarnami kási ‘opbergmeubel’; Surinaams-Javaans kasi, kas ‘opbergmeubel’ ; Creools-Engels (Maagdeneilanden) † kasi ‘doos, kist, bak, opbergmeubel’ .

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

kast opbergmeubel 1364-1365 [MNW] <Duits

M. De Coster (1999), Woordenboek van Neologismen: 25 jaar taalaanwinsten, Amsterdam

kast: in de — zitten (← Eng. to be into the closet), zijn seksuele geaardheid verborgen houden voor de buitenwereld. Informeel.

Ik denk dat veel biseksuelen in de kast zitten. (Opzij, december 1997)
uit de — komen (← Eng. to come out of the closet) is ‘voor zijn (homo)seksuele geaardheid uitkomen, er niet langer een geheim van maken’; of meer algemeen ‘iets bekend maken dat men vroeger verzweeg’. Informeel.
Als de bezetter weer komt, reken maar dat de homo’s dan weer de kast in gaan. (Haagse Post, 06/12/86)
‘Kom uit de kast, medemens!’ zou ik willen roepen. (Marjan Berk: Op grote voet, 1995)
Met het klimmen der jaren groeide Benny’s besef dat hij, om te beginnen, uit de kast moest komen en zich voorts als serieus chansonnier diende te profileren. (Nieuwe Revu, 12/11/97)
alles uit de — halen, een grote inspanning leveren; het beste van zichzelf geven; alle mogelijkheden uitputten om zijn doel te bereiken. Informele uitdrukking; oorspronkelijk in de wielersport, nu meer algemeen.
Terwijl de jammende jazzmusici nog een keer alles uit de kast haalden... (Harrie Jekkers en Koos Meinderts: Kunst met peren, 1988) En als er dan iemand naast me blijft, probeer ik nog een keer te versnellen, alles uit de kast. (Vrij Nederland, 24/06/89)
Het kabinet beschouwt deze 1 procent als grens en zal volgens Lubbers ‘alles uit de kast halen’ om de minima tegemoet te komen. (De Volkskrant, 25/04/92)
Wij moeten nog een keer, nog een keer alles uit de kast en dan is het voor ons ook feest. (Nieuwe Revu, 18/12/96)
Op het ministerie werd alles uit de kast getrokken om de minister te verdedigen. (HP/De Tijd, 31/01/97)
Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

1091. Iemand van het kastje naar den muur zenden (of sturen),

iemand van den een naar den ander zenden, zonder dat hij zijn doel bereikt, zonder resultaat. Vgl. no. 137 en Harreb. I, 384: Hij loopt van het kastje tot den muur; Tint. 50: Ze sturen je soms van de kast naar den muur; Het Volk, 14 April 1914, p. 3 k. 1; p. 9 k. 4; De Arbeid, 11 April 1914, p. 3 k. 2: Eerst met geduld gewacht op eenig antwoord, daarna werden zij van het kastje naar den muur gestuurd.

1128. De kerk in 't midden (van het dorp) laten (of houden),

d.w.z. de zaak laten waar ze behoort, haar niet overdrijven, het niet al te dol aanleggen; ook een geschil zoo bijleggen, dat beide partijen tevreden zijn. Vgl. Harreb. I, 150: Laat de kerk in 't midden van het dorp staan; Het Volk, 1 Febr. 1913, bl. 2 p. 7: Wat meer voorzichtigheid in het voorspellen ten opzichte van de thuiswedstrijden is daarom aangeraden en we durven daarom nòch een Dordtsche nòch een Amsterdamsche overwinning te voorspellen, doch zullen de kerk in het midden laten en vermoeden dat het evenals bij Sparta een 1-1 wordt; De Ploeg V, 1 April, binnenzijde omslag: Dies zullen we, als tot nu, de kerk maar in het midden houden; W. Pik, Nieuwe Lectuur IIP. Noordhoff, Groningen, 1912., bl. 192: Zij zou om de oude schuld gaan manen en ik vrees dat ze zich niet met een praatje zou laten afschepen. Daar is ze koopvrouw voor en houdt ze de kerk in 't midden van het dorp; F. Verschoren, Langs kleine wegen, bl. 126: Zorgen dat de kerk in 't midden van de parochie blijft staan; fri. tsjerke en toer (toren) moatte midden yn 't doarp bliuwe, men moet aller belangen zooveel mogelijk behartigen, eene zaak niet overdrijven; Boekenoogen, 812: recht is recht en de kerk in 't midden; Antw. Idiot. 639: de kerk in 't midden (van 't dorp) laten, het verschil in tweeën doen, een geding zoo scheiden en deelen, dat men van weerskanten tevreden zij; Claes, 105: Zorge dat de kerk in 't dorp blijft, zijne eigen of ook andermans belangen behertigen, niet verwaarloozen; Teirl. II, 125; Rutten, 110; Waasch Idiot. 186: Ge moet zien dat de kerk in 't dorp of in 't midden blijft staan, ge moet alles goed schikken, zoo schikken dat alles redelijk zij en blijve; hd. die Kirche muss (mitten) im Dorfe bleiben, warnung vor Ueberstürzung (Wander II, 1338); Lass die Kirche im Dorfe, kehre die Dinge nicht um; man muss es beim Alten lassen, an eingeführten Gebräuchen nicht änderen (II, 1342In 't fr. beteekent il faut mettre le clocher au milieu du village, mettre à portée se qui seit à tous.); syn. is het kerkje bij 't schuurtje laten staan, de feiten mededeelen, zooals ze zijn; het huisje bij 't schuurtje laten; het kastje bij 't muurtje laten blijven, in den zin van ‘het niet te dol aanleggen’.(Aanv.) Vgl. Ndl. Wdb. VII, 2260.

1475. Iemand den mantel uitvegen,

d.w.z. iemand een katje of een bekattering (Jord. I, 63; II, 121Vgl. bekatteren, beschuldigen (Peet, 61) en zie N. Taalgids X, 29.) geven, een standje maken, eene strenge berisping toedienen, hem scherp doorhalen. Eene ironische uitdrukking, die wordt aangetroffen bij Harreb. II, 65; Het Volk, 6 Oct. 1913, p. 1 k. 3; 29 Mei 1914, p. 1 k. 4; Hand. Staten-Gen. 1913, p. 2932; Ndl. Wdb. IX, 224; enz. Ze staat gelijk met iemand een pak aanpassen, iemand afkammenDe Arbeid, 19 Febr. 1914, p. 1, k. 3: Er moest afgekamd, gelasterd en gelogen worden., afveteren (Ndl. Wdb. I, 1706), afkwispelen, een kamming geven (Schuerm. 218 b); iemands frak uitborstelen of uitkloppen (Joos, 107 en Antw. Idiot. 431); iemands rug meten (Joos, 107); iemand den pels uitkloppen; iemand afrossen, - afborstelen; iemand zijn bol wasschen, een handschoentje passen, roskammen (Joos, 73), iemand afdrogen (Kl. Brab.), er met den rouwen borstel over gaan, iemand een droge borsteling geven (Antw. Idiot. 277; 278); schrobbeeren - eene schrobbeering geven, eene uitschuring geven (in Friesl.); iemand uitluchten; het haar uitkammen, iemand de kast uitkeren (uitvegen); fri. it hier ûtkjimme (Ndl. Wdb. V, 1408; 1409); het jak afschuieren (W. Leevend VI, 24); den rok uitvegen (Harreb. II, 226 b); iemand 't buis ûtvègen, 't jak ûtstükken (Draaijer, 7 a); den mantel afvegen (Abr. Bl. 3, 128); fri. immen de mantel utfege; utmantelje; gron. de moan (de maan van een paard) overhoalen; de boksem oetstubben; fri. immen ôfhimmelje (reinigen); enz.; fr. trousser la jaquette à qqn; hd. einem den Pelz, die Jacke ausklopfen; einen (ver)wamsen; eng. to dust a p's jacket.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut