Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

kassa - (loket)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

kas(sa) zn. ‘bewaarplaats voor geld’
Vnnl. cassa, casse, kas ‘geldkist of -koffer’ in daer en es niet jnde casse ‘er zit niets in de geldkist’ [1526; WNT], ick lichte de kas van al de swaricheyd, daer sy me beladen was ‘ik ontdeed de geldkist van al het gewicht waarmee hij beladen was’ [1612; WNT], overdrachtelijk ‘ter beschikking staande hoeveelheid geld, de geldvoorraad’, in ons cassa alsdoen seer qualijck versien was ‘onze kas was toen slecht gevuld’ [1598; WNT]; nnl. ‘de plaats waar de geldkassa staat’ in bedrijven, winkels, schouwburgen etc., in de kas ... is geopend [1888; WNT].
Als koopmanswoord en handelsterm ontleend aan Italiaans cassa ‘kist of koffer waarin men geld en kostbaarheden bewaart’ [1386; de Bruijn 1992], ‘geldsom in een kas’ [1547; id.], eerder al algemener cassa ‘kist’, dat ontwikkeld is uit Latijn capsa ‘doos, kist’ en dus in oorsprong hetzelfde woord is als → kas.
De vorm casse was het minst frequent; de vormen cassa, later kassa, en kas werden lange tijd als synoniemen naast elkaar gebruikt. Pas in de 20e eeuw gingen kas en kassa zich definitief onderscheiden: een kassa heeft altijd betrekking op een concrete locatie waar geldtransacties plaatsvinden, terwijl kas vooral een abstract begrip is voor ‘geldvoorraad’.
kassier zn. ‘beheerder van een geldkas’. Vnnl. cassier ‘beheerder van de kas’ in sprekende vanden genen die den last vanden ghelde heeft noempt men hem Cassier [1543; de Bruijn 1992], kassier ‘geldbeheerder van een koopman’ [1599; Kil.]. Ontleend aan Italiaans cassiere [1383; de Bruijn 1992], afleiding van cassa.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

kassa [loket] {cassa 1901-1925, vgl. kas [idem] 1888} < italiaans cassa (vgl. kas1).

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

Kas’sa tegen Weglopers (de), (hist.) overheidsorgaan dat de strijd tegen de weglopers* administratief en financieel regelde. Zie Hoogbergen 24, 256 (Cassa ...).

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

kassa (Italiaans cassa)
Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

kassa ‘loket’ -> Indonesisch kasa ‘loket waar men zijn betaling doet; machine in winkel waarmee contant geld wordt geregistreerd’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

kassa loket 1914 [GVD] <Italiaans

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal