Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

kas - (bergplaats, contanten)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

kas zn. ‘beschuttend omhulsel’
Mnl. casse ‘doos, kistje’ [1240; Bern.], ‘doos of kist, bijv. voor relikwieën of heilige voorwerpen’ in die arke ochte casse die stont in dat sancta sanctorum ‘de ark of kist die in het heilige der heiligen stond’ [1380-1400; MNW-P], ‘lijkkist voor belangrijke personen’ in die casse ons Heren Jhesu Cristi ‘de kist van onze Heer Jezus Christus’ [1290-1310; MNW-P], een waghen, die in sijn casse brachte ghedraghen ... enen outaer ‘een wagen die in zijn laadkist een altaar vervoerde’ [1390-1410; MNW-R]; vnnl. kasse ‘doos, kist’ [1573; Thes.], ook nog casse in 10 cassen wijn [1642; WNT], kasse ‘glazen gebouwtje voor plantenkweek’, in glase kassen ..., om van de windt niet beschadigt te werden (voor meloenen) [1696; Landt-leven, 1, 40b]; nnl. kas waarin men de weeke kruiden en heesters des winters zet [1752; Marin], ook in samenstellingen als oogkas ‘oogholte’ [1781; WNT] en tandkas ‘holte voor de tand in het kaakbeen’ [1847; WNT Aanv. alveole].
Ontleend aan Oudfrans casse ‘kistje’, in het bijzonder ‘kistje voor relikwieën’ [ca. 1150; Rey] (Nieuwfrans châsse), ontleend aan middeleeuws Latijn cassa, met assimilatie uit oorspr. capsa ‘kist voor heilige voorwerpen’ [ca. 720; TLF], betekenisuitbreiding van klassiek Latijn capsa ‘koker, kist, doos’, ontleend aan Grieks kápsa ‘doos’, een woord van niet-Indo-Europese herkomst.
De betekenis ‘kist of drager van heilige voorwerpen’ staat nog bij Kiliaan: kasse, heylighdom-kasse ‘draagbaar’ [1599], maar verdwijnt daarna. De algemenere betekenis ‘doos, kist’ die dan verschijnt, was ook al Oudfrans. In de 17e en 18e eeuw komen ook regelmatig de betekenissen ‘opbergmeubel’ en ‘toonkastje, vitrinekastje (aan de straat)’ voor, die wrsch. niet zelfstandig ontwikkeld zijn bij kas, maar overgenomen van Duits Kasten, dat in het Nederlands aanvankelijk werd geprojecteerd op kas en pas later definitief de vorm → kast kreeg, zie aldaar; het gemeenschappelijke element van alle overige betekenissen van kas is vooral ‘bescherming, omhulling’, en niet zozeer ‘opslag’ zoals bij kast.
Op het verkleinwoord capsula van Latijn capsa gaan o.a. de woorden → capsule en → kapsel 2 terug.

kas(sa) zn. ‘bewaarplaats voor geld’
Vnnl. cassa, casse, kas ‘geldkist of -koffer’ in daer en es niet jnde casse ‘er zit niets in de geldkist’ [1526; WNT], ick lichte de kas van al de swaricheyd, daer sy me beladen was ‘ik ontdeed de geldkist van al het gewicht waarmee hij beladen was’ [1612; WNT], overdrachtelijk ‘ter beschikking staande hoeveelheid geld, de geldvoorraad’, in ons cassa alsdoen seer qualijck versien was ‘onze kas was toen slecht gevuld’ [1598; WNT]; nnl. ‘de plaats waar de geldkassa staat’ in bedrijven, winkels, schouwburgen etc., in de kas ... is geopend [1888; WNT].
Als koopmanswoord en handelsterm ontleend aan Italiaans cassa ‘kist of koffer waarin men geld en kostbaarheden bewaart’ [1386; de Bruijn 1992], ‘geldsom in een kas’ [1547; id.], eerder al algemener cassa ‘kist’, dat ontwikkeld is uit Latijn capsa ‘doos, kist’ en dus in oorsprong hetzelfde woord is als → kas.
De vorm casse was het minst frequent; de vormen cassa, later kassa, en kas werden lange tijd als synoniemen naast elkaar gebruikt. Pas in de 20e eeuw gingen kas en kassa zich definitief onderscheiden: een kassa heeft altijd betrekking op een concrete locatie waar geldtransacties plaatsvinden, terwijl kas vooral een abstract begrip is voor ‘geldvoorraad’.
kassier zn. ‘beheerder van een geldkas’. Vnnl. cassier ‘beheerder van de kas’ in sprekende vanden genen die den last vanden ghelde heeft noempt men hem Cassier [1543; de Bruijn 1992], kassier ‘geldbeheerder van een koopman’ [1599; Kil.]. Ontleend aan Italiaans cassiere [1383; de Bruijn 1992], afleiding van cassa.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

kas1 [bergplaats, contanten] {casse [bergplaats] 1526, cassa [de aanwezige geldvoorraad] 1543} < italiaans cassa < middeleeuws latijn cassa, van latijn capsa [doos], van capere [nemen, vatten, bevatten]. De middelnl. vorm casse [kist, relikwieënkast] {1201-1250} < noordfrans casse, frans châsse [relikwieënkast]. Bij de uitdrukking bij iemand in de kas staan [in de gunst] moet gedacht worden aan bv. de prijzenkast, de pronkkast → kassa.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

kas znw. v., in de 16de eeuw < ital. cassa < lat. capsa. — Mnl. casse, cas betekent ‘kist, kast, ark des verbonds, geldkist’ < pikard. casse = fra. châsse ‘relikwieënschrijn’, ook < lat. capsa.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

kas znw. In de 16. eeuw ontleend uit it. cassa “kas” (< lat. capsa), dat in allerlei talen overging. Mnl. was ’t zelfde woord al — uit het Mlat. of veeleer uit een ofr. (pic.) vorm casse (= fr. châsse “reliquieënschrijn) — ontleend met de bet. “kist, kast”.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

kas v., Mnl. casse, uit Mlat. cassam (-a), van Lat. capsa = doos, van capere = nemen, houden (z. heffen). Van Mlat. cassa komen ook de Fr. vormen casse, caisse en châsse (van waar Eng. case en cash) en It. cassa (van waar Hgd. kasse).

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

kas II: “holte, ruimte” (bv. in: bors-, oog-, oorlosie-, tandkas); Ndl. kas (Mnl. casse, wsk. uit Ofr. (Pik. dial.) casse (Fr. chasse, “relikwieëkissie”) ontln. in bet. “kissie”), maar die wd. het deureengeloop met kas I en III.

kas III: “kontant; landskas”; Ndl. kas, in die 16e eeu ontln. aan It. cassa uit Lat. capsa, “bêreplek, kissie” (vgl. kas I en II); Eng. cash (end 16e eeu) is v. dies. herk.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

kas (Italiaans cassa)

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Kas, van ’t Lat. cassa = bewaarplaats, van capsa = tasch, doos; het kreeg de bet. van geldkist. – Afl.: kassier.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

kas ‘geldkist; kassa; kasgeld; contanten’ -> Indonesisch kas ‘betalingskantoor; contanten; kasregister; kassa, loket’; Boeginees kâsé ‘kassa’; Jakartaans-Maleis kas ‘kas; kassa’; Javaans kas ‘contanten; geldkist’; Kupang-Maleis kas ‘contanten; geldkist’; Madoerees ēkkas, kas ‘geldkist; kassa’; Makassaars kâs, kâsá ‘kasgeld’; Menadonees kas ‘kistje’; Minangkabaus kas ‘kassa, geldkist’; Soendanees kas ‘kas, bergplaats voor geld’; Creools-Portugees (Batavia) kaas ‘dubbeltje, geld’; Negerhollands kas ‘vat (alleen voor vloeistoffen)’; Sranantongo kasi ‘bergplaats voor geld’; Surinaams-Javaans kasi, kas ‘kist, krat, bak’ ; Surinaams-Javaans kas ‘contanten’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

kas contanten 1543 [De Bruijn Tw. 10] <Italiaans

kas broeikas 1717 [WNT]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

1088. In de kas staan bij iemand,

bij iemand in de gunst staan, in een goed blaadje. ‘Eigenlijk bij vergelijking met iets dat in een kas zorgvuldig bewaard wordt’; Ndl. Wdb. VII, 1705. De uitdr. dateert uit de 18de eeuw en komt vrij dikwijls voor bij Wolff en Deken, die ook kennen: uit de kas zijn of raken, uit de gunst zijn of raken; vgl. W. Leev. VI, 287: Het spyt my, dat Dominé Heftig zo wat uit de kas raakt by uw Moeder. Zie verder Harreb. I, 383: Bij iemand in de kast zijn; Zuidndl. Hij leet daar in de kas, hij wordt er gekoesterd, goed verzorgd (Antw. Idiot. 1799).

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut