Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

karmozijn - (hoogrode verfstof)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

karmozijn zn. ‘hoogrode verfstof’
Vnnl. kermosijn ‘id.’ [1516; MNHWS]; een Spaensche scarlaken cappe mit carmosyn fluweel gevoerdt [1524; WNT voeren III], karmesijn [1599; Kil.]. Daarnaast in talloze nevenvormen als cramozijn, cramesij, carmosije, kermozijn etc.; de huidige vorm stabiliseerde zich in de 18e eeuw. Nnl. ook de jongere bijvorm karmyn [1766; Sewel].
Een woord dat in aantal varianten in de Europese talen bekend is. Het dichtst bij de Nederlandse vorm ligt Laatlatijn carmesinus ‘karmozijn’. Frequenter zijn vormen met metathese van de -r-: middeleeuws Latijn cremesinus, Spaans carmesí, Engels crimson (via Middelfrans cramoisin), en ook de jongere vormen met -min-: middeleeuws Latijn carminium en o.a. Frans carmin, Engels carmine, Duits Karmin en Nederlands karmijn. Deze laatste vormen zijn wellicht ontstaan door contaminatie met middeleeuws Latijn minium ‘vermiljoen’, zie → menie, terwijl -(s)in- in de overige woorden teruggaat op het Latijnse bijvoeglijke achtervoegsel -in-. Al deze vormen gaan uiteindelijk terug op Arabisch qirmiz, qirmizī ‘karmozijn; het insect dat de kleurstof karmozijn oplevert’, zelf weer ontleend aan Perzisch kirm ‘worm’.
Perzisch kirm ‘worm, larve’ is verwant met Sanskrit krmi-; Litouws kirmis, Lets cirmis; Proto-Slavisch *čĭrmĭ (Oudkerkslavisch črĭmĭnŭ ‘rood, bloedig’) naast *čĭrvĭ (Oudkerkslavisch črĭvĭ ‘worm, larve’, Russisch červ' ‘worm’, Tsjechisch červ, Sloveens črv); Oudiers cruim, Welsh pryf; Albanees krimb; bij pie. *kwr-m-i-. Uit het Germaans zijn geen verwante woorden bekend, maar opvallend is wel de betekenis- en gedeeltelijke klankovereenkomst met → worm < pgm. *wurma- < pie. *wrm-, met verwante woorden in het Germaans, Latijn, Grieks, Baltisch en Keltisch. Pie. *kwr-m-i- zou klankwettig pgm. *hwurma- moeten opleveren, maar aanwijzingen voor het bestaan daarvoor ontbreken: ook het Oudengels en Oudnoords, waar pgm. *hw- nog onderscheiden wordt van *w-, hebben uitsluitend woordvormen met w-.
Al in de vroege Middeleeuwen was karmozijn bij de Arabieren en via hen bij de Europeanen bekend. Het werd geproduceerd uit de vermalen gedroogde lichamen van de vrouwtjes van de Kermococcus vermilio, een soort schildluis, naamgever van de kleurstof → vermiljoen. Dit insect en de kleurstof zelf (in minerale vorm Sb2S2O) heetten ook wel kermes, eveneens uit Arabisch qirmiz, qirmizī. De belangrijkste Europese productie- en handelscentra lagen bij Sevilla en Valencia. Een soortgelijke, eveneens rode, maar donkerdere en organische kleurstof uit schildluizen (cochenilleluizen) bestond ook in het Amerika van vóór de Europese kolonisatie. Het werd door de Spanjaarden gecommercialiseerd en raakte in Europa onder dezelfde namen bekend als het oude karmozijn. Het is dus niet altijd duidelijk welke kleuren of kleurstoffen in het verleden precies met deze woorden werden aangeduid, maar het lijkt erop dat in elk geval in het Nederlands karmijn altijd wordt gebruikt voor de donkerrode kleurstof.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

karmijn [rode kleur(stof)] {1691} < frans carmin < middeleeuws latijn carminium [idem], samengesteld uit een tweede lid laat-latijn minium [cinnaber], van iberische herkomst (vgl. menie) + een eerste lid arabisch qirmizī [karmijn], afgeleid van qirmiz [kermes, de vrouwelijke cochenilleluizen, die een rode kleurstof opleveren] (vgl. kermes, cochenille), teruggaand op oudindisch krmiḥ [worm]; rode verfstof werd niet alleen uit de luis verkregen, maar ook uit wormen.

karmozijn [purperverf, rode kleur] {carmosijn 1516} < oudfrans cramoisin < latijn carmesinus, nevenvorm van carminus (vgl. karmijn).

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

karmozijn znw. o. sedert Kiliaen < ofra. cramoisin, zelden naast cramoisi, vgl. ital. carmesino, cremisino < arab. ḳirmizī. Dit woord gaat terug op oi. kṛmijā ‘door de worm (oi. kṛmi) voortgebracht’ en wel van een insect, dat gedroogd en tot poeder fijngestampt, een rode kleurstof oplevert.

Ital. carminio is een vervorming, misschien door contaminatie met lat. minium, waarvoor zie: menie, vgl. fra. carmin > nnl. karmijn.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

karmozijn znw. o., sedert Kil. Uit ofr. cramoisin (zeldzaam) of met suffix-substitutie uit ofr. cramoisi “karmozijnen”. Gaat terug op arab. qirmizî bnw. “karmozijnen”. It. carminio, fr. carmin (> ndl. karmijn, nog niet bij Kil.) is een vervorming. Beide woorden zijn ook in andere talen overgenomen.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

karmijn o., uit Fr. carmin, vervorming van cramoisin: z. karmozijn.

karmozijn o., uit Ofra. cramoisin (thans cramoisi), van Mlat. carmesinum (-us), afgel. van Ar. girmizī, van qirmiz = kermes (z. karmijn).

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2007), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Supplement, Stellenbosch

karmosyn b.nw., s.nw.
Met 'n hoogrooi kleur, of sodanige kleur of hoogrooi purper verfstof.
Uit Ndl. karmozijn (1516 in die vorm carmosijn as s.nw., 1717 as b.nw.).
Ndl. karmozijn uit Oudfrans cramoisin uit Latyn carmesinus, 'n wisselvorm van carminus. Die Latynse vorme is aan Arabies qirmizi ontleen wat afgelei is van qirmiz 'vroulike skildluis', so genoem omdat die rooi kleurstof uit hierdie gedroogde insekte verkry word.

Thematische woordenboeken

R. Dozy (1867), Oosterlingen, verklarende lijst der Nederlandschen woorden die uit het Arabisch, Hebreeuwsch, Chaldeeuwsch, Perzisch en Turksch afkomstig zijn, 's-Gravenhage

Alkermes, karmezijn of karmozijn, karmijn
Alkermes, eene vrij getrouwe overschrijving van het Arab. [قِرْمِز], met het Arab. lidwoord, is eigenlijk eene soort van cochenille, die op de bladen van eene bijzondere soort van kleine eiken leeft; de coccus der eikenboomen. Gedroogd en tot poeder gestampt, geeft dit insect de roode kleur, die in het Arab. kermezî, bij ons karmozijn, beter karmezijn, genoemd wordt. Kermez zelf is overigens een woord, dat niet van Arabischen, maar van Indischen oorsprong is; het beantwoordt aan het Sanskr. krimi-dsjâ, d.i. “van een worm afkomstig”, nl. lâksjâ. Den goeden vorm karmezijn hebben wij van de Spanjaarden (cramesi) of waarschijnlijker nog van de Italianen (carmesino), terwijl karmozijn den invloed van het Fr. cramoisi ondervonden heeft. Karmijn (Sp. Fr. carmin, Ital. carminio) is van denzelfden oorsprong.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

karmozijn purperverf, rode kleur 1516 [HWS] <Frans

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut