Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

karig - (zuinig; schaars)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

karig bn. ‘zuinig; schaars’
Mnl. carich ‘gierig, zuinig’ [1477; Teuth.], voor hem selven seer carich, mer voor den armen ... seer milde ‘voor zichzelf zeer zuinig, maar voor de armen vrijgevig’ [1488; MNW], wes dijnre woorden alsoo karich, als een vrack mensche sijnre penninghen is ‘wees met je woorden net zo zuinig als een vrek met zijn geld is’ [1490; MNW], te vrack ende te karich ‘te vrekkig en te zuinig’ [15e eeuw; MNW]; nnl. karig ook van zaken ‘niet overvloedig’ in uw lof is wat karig [1784; WNT], een karig loon, een karige maaltijd.
Os. (mōd)karag ‘bedroefd, bezorgd’ (mnd. karch ‘spaarzaam, gierig’, waaruit nzw. karg ‘arm, schraal (van bodem etc.)’); ohd. charag ‘bedroefd, bezorgd’ (nhd. karg ‘zuinig, schraal’); oe. cearig ‘zorgzaam, bezorgd’ (ne. chary ‘behoedzaam, zuinig’); < pgm. *karag-, *karig-. De oorspr. betekenis lijkt in het algemeen ‘zorgelijk, bezorgd’ te zijn. Afleiding van het zn. *karō- ‘zorg’, waaruit: os. kara ‘zorg’; ohd. chara ‘treurnis’ (nhd. in Karfreitag ‘Goede Vrijdag’); oe. caru, cearu ‘zorg’ (ne. care); on. kör ‘ziekbed’; got. kara ‘zorg’; daarvan afgeleid ook de ww. os. karōn; ohd. charōn ‘treuren’; oe. carian ‘treuren’ (ne. care ‘zich bekommeren’); on. kœra ‘klagen’ (nzw. kära); got. gakaron ‘bezorgd zijn’.
Verdere etymologie onduidelijk. Er zijn geen zekere verwante woorden buiten het Germaans. Voor pgm. *karō kan men pie. *ǵor(h1)eh2 reconstrueren, dat zou kunnen horen bij een klankexpressieve wortel *ǵer(h1)- (IEW 383), zie ook → kraaien. Klankexpressiviteit past bij een betekenis ‘treuren, weeklagen’, maar in de Germaanse woordengroep lijkt die betekenis zeer secundair, zie ook → kermen. Primair lijkt eerder de betekenis ‘zorg(en)’ te zijn, die niet te rijmen valt met een klankwortel. Daarom oppert Boutkan (1998) voor de Germaanse wortel *kar- de mogelijkheid van ontlening aan een voor-Indo-Europese substraattaal.
De Nederlandse betekenis ‘zuinig, gierig’ is te verklaren vanuit ‘zorgzaam’ via ‘behoedzaam’ naar ‘behoedzaam omspringend met zaken i.h.b. met geld’.
Lit.: Boutkan 1998, par. 2.10

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

karig* [schraal, gierig] {carich [zuinig, spaarzaam, schriel] 1477} middelnederduits kar(i)ch, oudsaksisch karag, oudhoogduits charag, oudengels cearig [treurig] (engels chary [karig]), vgl. oudhoogduits chara [vasten, zorg, leed] (hoogduits Karfreitag), gotisch kara [zorg], karon [zich bekommeren], verwant met kermen.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

karig bnw., mnl. cārich (zelden) ‘zuinig, gierig’, ohd. charag ‘treurig’ (nhd. karg ‘karig’), os. karag, oe. cearig ‘treurig’ (ne. chary ook ‘zuinig’). — Een afleiding van germ. *karō ‘weeklagen, smart, zorg’, vgl. os. kara, ohd. chara (nog in nhd. karfreitag), ofri. kar- (in samenstellingen) ‘vasten’, oe. caru ‘smart, zorg’ (ne. care), got. kara ‘zorg’, waarbij nog het ww. os. karon, ohd. charēn, charōn ‘weeklagen’, oe. carian ‘zorg hebben’, got. karon ‘zich bekommeren’. — Gaat men uit van de bet. ‘weeklagen’, dan ligt verband met kermen voor de hand.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

karig bnw., mnl. (zeldzaam) cārich “zuinig, gierig”. = ohd. charag “treurig” (nhd. karg “karig”), os. karag (in samenst.) “id.”, ags. cearig “id., bezorgd” (eng. chary ook “zuinig”). Afl. van ohd. chara v. “het weeklagen, rouw, smart” (nog in nhd. kar-freitag m.), os. kara, ags. caru v. “id.” (eng. care), got. kara v. “zorg”. Hierbij ’t ww. ohd. charên, charôn, os. karon “weeklagen, rouw bedrijven”, ags. carian “bezorgd zijn, zorgen” (eng. to care), got. karon “zich bekommeren”, en got. unkarja “onbezorgd”, benevens het ags. bnw. cear “bezorgd”. Waarsch. verwant met kermen.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

karig. Bij de znww. ohd. chara enz. adde: ofri. kar- (in samenst.) ‘vasten’. — Ags. caru = ‘smart, zorg’. — Scharp: ags. cear bnw. ‘bezorgd’.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

karig bijv., Mnl. karech, Os. karag + Ohd. karag (Mhd. karc, Nhd. karg), Ags. cearig (Eng. chary) = bezorgd, afgel. van een nw. *kaar = zorg, klacht, Os. kara + Ohd. chara, Ags. cearu (Eng. care), Go. kara, verwant met kermen.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

karig ‘schraal, gierig’ -> Deens karrig ‘schraal, gierig’ (uit Nederlands of Nederduits); Noors karrig ‘pover, schraal’ (uit Nederlands of Nederduits); Zweeds karg ‘schraal, gierig’ (uit Nederlands of Nederduits); Berbice-Nederlands kali ‘klein’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

karig* schraal, gierig 1477 [Teuth.]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut