Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

kardinaal - (hoogwaardigsheidsbekleder in de katholieke kerk)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

kardinaal 1 zn. ‘hoogwaardigsheidsbekleder in de katholieke kerk’
Mnl. cardinal ‘kardinaal, hoogwaardigheidsbekleder in de katholieke kerk’ [1240; Bern.], wert cardinael te Rome [1300-50; MNW-R].
Ontleend aan christelijk Latijn cardinalis ‘id.’ [eind 8e eeuw; Rey], letterlijk ‘belangrijk persoon, leider’, zelfstandig gebruik van het klassiek-Latijnse bn. cardinālis ‘belangrijk, vooraanstaand’, afgeleid van cardō (genitief cardinis) ‘hoofdpunt, keerpunt’, zie verder → kardinaal 2.
Het zn. cardō ‘hoofdpunt, keerpunt’ ging in het beginnende Romeinse christendom ook een ‘kerk met een plaatselijke spilfunctie, hoofdkerk’ aanduiden. Vanaf de 6e eeuw werd het bn. cardinalis gebruikt als kwalificatie voor bepaalde geestelijken die promotie hadden gemaakt binnen de kerkelijke hiërarchie; later werd de naam gereserveerd voor de voornaamste priesters, diakens en bisschoppen uit de Romeinse clerus. Vanaf eind 12e eeuw worden ook bisschoppen van buiten Rome in het college van kardinalen opgenomen en hebben kardinalen het exclusieve recht tot verkiezing van de paus.

kardinaal 2 bn. ‘voornaamst’
Mnl. cardinael ‘voornaamst’ in vanden IIII dogeden cardinale ‘over de vier belangrijkste deugden’ [1300-25; MNW-R], ook cardinaelsch in die vier cardenaelsche doochden, als gherechticheit, starcheit, maticheit ende wiishiet ‘de vier kardinale deugden, te weten rechtvaardigheid, moed, matigheid en wijsheid’ [ca. 1450; MNW]; nnl. kardinaal getallen ‘hoofdtelwoorden’, kardinaal gewesten ‘de vier windstreken’ [1774; WNT], dat zij het principe der vrije zeevaart alsnog als het cardinaal poinct considereeren ‘... als het voornaamste punt beschouwen’ [1783; WNT].
Al dan niet via Frans cardinal ‘voornaamst’ [1279; Rey] ontleend aan Latijn cardinālis ‘belangrijk, vooraanstaand’, afgeleid van cardō (genitief cardinis) ‘hoofdpunt, keerpunt, beslissend moment’, een overdrachtelijke betekenis van ‘deurspil, draaipunt’ en dus vergelijkbaar met bijv. het eerste lid in spilfunctie. Op hezelfde Latijnse zn. gaat via het Frans ook → scharnier terug.
In het Middelnederlands bestond alleen de vaste verbinding cardinale doget of doget cardinale, een leenvertaling van middeleeuws Latijn virtutes cardinales ‘de hoofddeugden’, te weten voorzichtigheid (wijsheid), rechtvaardigheid, gematigdheid (zelfbeheersing) en moed, die werden onderscheiden van de drie goddelijke deugden: geloof, hoop en liefde. Ook in het Nieuwnederlands bestaat het woord kardinaal alleen in enkele vaste verbindingen als kardinaal punt, kardinale fout, (van) kardinaal belang.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

kardinaal [voornaamste (bn.), hoogwaardigheidsbekleder in de r.-k. kerk (zn.)] {cardinael [voornaam, hoofd-] 1201-1250; als zn. 1265-1270} < frans cardinal [voornaamste] < latijn cardinalis [hoofd-, hoofdpersoon], van cardo (2e nv. cardinis) [deurspil], dus ‘dat waar het om draait’.

P.H. Schröder (1980), Van Aalmoes tot Zwijntjesjager, Baarn

kardinaal

Het Latijnse woord cardo betekent: deurpen. In vroeger tijd draaiden deuren niet op hengsels aan de zijkant, maar op pennen die pasten in gaten in de boven- en benedendrempel. Reeds in het Latijn betekende cardo ook: datgene waarom de zaak draait, het hoofdpunt. Van dit woord is kardinaal afgeleid, zowel als bijvoeglijk als ook als zelfstandig naamwoord. Men spreekt van het kardinale punt als het punt waarop het aankomt. Cicero kent de kardinale deugden wijsheid, gematigdheid, gerechtigheid en sterkte, welke het Christendom door geloof, hoop en liefde heeft vervangen. Het zelfstandig naamwoord kardinaal is de titel van de leden van de Pauselijke raad die uit hun midden de nieuwe Paus kiezen.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

kardinaal znw. m. < fra. cardinal of rechtstreeks < lat. cardinalis ‘eig. in het scharnierpunt staand’, afl. van cardo ‘hengsel van een deur’. Sedert de 6de eeuw de naam voor de hoogste geestelijken van de hoofdkerk in Rome, sedert de 11de eeuw ‘leden van het kiescollege van een paus’.

Sedert de 18de eeuw bet. kardinaal ook een drank uit witte wijn, suiker, rum en andere ingrediënten, een van Engeland uitgaande oneerbiedige benaming, die wel als tegenhanger van bisschop zal gekozen zijn.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

kardinaal znw., reeds mnl. Een internationaal woord, in ’t Ndl. uit fr. cardinal of direct uit mlat. cardinâlis.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

kardinaal m., uit Mlat. cardinalem (-is), is het zelfst. gebr. Lat. bijv. cardinalis = voornaamste, afgel. van cardo == deurgonde, spil.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

kardinaal’ (de, -nalen), goudvoorhoofdpipra (Grzimek IX: 165) of roodkopmanakin, een vogelsoort waarvan het mannetje rood met zwart is (Pipra aureola). In moerassig bos in het kustgebied is de Surinaamse kardinaal () heel gewoon (Enc.Sur. 392). - Etym.: Het is mogelijk, dat de naam berust op de (zwakke) gelijkenis met AN kardinaal(svogel) = de Noordamerikaanse Cardinalis virginianus. Ook kan het een rechtstreekse vergelijking zijn met de kardinalen van de R.K. kerk, die een rood habijt dragen. In beide gevallen lijkt het waarschijnlijk, dat de naam door Nederlanders bedacht is aangezien men de ’kardinalen’ in de andere (AN) betekenissen in Suriname niet van eigen aanschouwing kent. - Opm.: Op een Sur. postzegel van 70 cent (1977) genoemd ’roodkapmanneke’, een gelegenheidsnaam; in Grzimek worden de Pipra-soorten en hun verwanten ’manneke’ genoemd, de onderhavige soort heet in het E ’crimson-hooded manakin’.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

kardinaal (Latijn cardinalis)

T. Pluim (1922), Wetenswaardig allerlei: bijdragen tot algemeene kennis voor studeerenden bijeenverzameld door T. Pluim, Groningen

Cardinaal of Kardinaal (Lat. cardinalis van cardo = deurgrendel), noemt men de zeventig prelaten, die èn de kiezers, èn de raadgevers èn de ministers zijn van den Paus. Het eerst werd die titel gedragen door enkele grootwaardigheidsbekleeders van keizer Honorius en van diens onmiddellijke opvolgers; tegen het eind der VIe eeuw werd hij gegeven aan enkele priesters en diakens der R.-K. Kerk, die een vaste betrekking bekleedden, en eerst in de VIIIste eeuw werd hij ingevoerd aan het pauselijke hof, waar alleen de legaten (de afgevaardigden bij andere hoven) dien titel droegen. De eerstbekende was Petrus, een der drie pauselijke legaten bij het Concilie van Constantinopel in 879. Van lieverlede steeg hun aanzien zeer; zoo verkregen zij achtereenvolgens den voorrang boven de bisschoppen, den rooden hoed, den vorstelijken mantel en den titel van Eminentissimi. Het concilie te Bazel wilde hun getal tot 24 beperken, doch Sixtus V stelde op voorbeeld van de 70 Oudsten bij de Israëlieten het getal op 70 vast. Het collegie van cardinalen heeft sedert 1059 het recht van de Pauskeuze, benevens een adviseerende stem in alle gewichtige kerkelijke zaken, waarin de Paus beslist. Verder treden zij meer zelfstandig op in de zoogenaamde “congregatiën”, dat zijn als het ware commissiën uit het gezamenlijke college van cardinalen, elk met een bijzondere taak belast, bijv. de congregatie voor het onderzoek van ketterijen; de congregatie voor de bewerking vanden index (= lijst van verboden boeken), de congregatie voor de missie (zending), enz.
De cardinalen worden benoemd door den Paus (natuurlijk als er een plaats in de 70 zetels is opengevallen), meestal Italianen. De benoeming wordt den cardinaal bekend gemaakt door de overreiking van den hoed.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

kardinaal ‘hoogwaardigheidsbekleder in de rooms-katholieke kerk’ -> Indonesisch kardinal ‘hoogwaardigheidsbekleder in de rooms-katholieke kerk’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

kardinaal hoogwaardigheidsbekleder in de r.-k. kerk 1265-1270 [CG Lut.K] <Frans

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut