Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

karbonkel - (robijnachtige edelsteen; grote steenpuist)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

karbonkel zn. ‘robijnachtige edelsteen; grote steenpuist’
Mnl. carbunkel ‘karbonkelsteen’ [1240; Bern.], meestal al carbonkel ‘id.’ [1285; CG II, Rijmb.], ‘steenpuist’ in die swere die karbonkel het ‘de zweer die karbonkel heet’ [1287; CG II, Nat.Bl.D].
Ontleend aan Latijn carbunculus ‘edelsteen; steenpuist’, letterlijk ‘kooltje’, gevormd uit carbō (genitief carbōnis) ‘steenkool’, zie → carbonpapier, met het verkleiningsachtervoegsel -culus; een karbonkel lijkt in kleur en vorm op een gloeiend klompje steenkool. Ook de betekenis ‘steenpuist’ gaat terug op vorm en kleur van een dergelijke grote, harde zwelling.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

karbonkel [een edelgesteente, negenoog] {carbonkel, carbunkel [edelsteen, puist] 1201-1250} < latijn carbunculus [kooltje, robijn, hematiet (bloedsteen)], verkleiningsvorm van carbo [(houts)kool].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

karbonkel znw. m., mnl. carbonkel, carbunkel ‘edelsteen; hoogrode puist’ < lat. carbunculus, verkleinwoord van carbo ‘kool’. Ook in andere talen overgenomen, vgl. mnd. mhd. karbunkel (nhd. karfunkel, onder invloed van mhd. vunke ‘vonk’), ne. carbuncle, fra. escarboucle.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

karbonkel znw., mnl. carbonkel, carbunkel m. Evenals mhd., mnd. karbunkel m. (nhd. vervormd tot karfunkel), eng. carbuncle, fr. escarboucle “karbonkel” uit lat. carbunculus “id.”, een demin.-vorm van carbo “kool”.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

karbonkel m., gelijk Eng. carbuncle en Fr. escarboucle, uit Lat. carbunculum (-us), dimin. van carbo = kool.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

karbonkel (Latijn carbunculus)
Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

karbonkel ‘edelsteen; grote puist’ -> Sranantongo karbonkru ‘edelsteen; grote puist’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

karbonkel een edelgesteente 1240 [Bern.] <Latijn

karbonkel negenoog, grote puist 1287 [CG NatBl] <Latijn

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut