Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

kapucijner - (peulvrucht)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

kapucijner zn. ‘peulvrucht’
Nnl. kapucijners (mv.) [1854; WNT], ook nog lang het meervoud capucijnen [1863; Kramers II].
Verkorting van kapucijnererwt, dat echter geen oudere attestatie heeft. Zo genoemd naar de kleur van de erwt, die doet denken aan de grauwbruine kleur van de monnikspij van de → kapucijn.
De kapucijner is een variëteit van de → erwt (Pisum sativum) die al in de Middeleeuwen in Europa bekend was en in het Nederlandse grauwe erwt of gewoon erwt genoemd werd. In de 19e eeuw is men om onduidelijke reden verschil gaan maken tussen echt grauwe erwten en de bruinere soort, die men kapucijners ging noemen.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

kapucijner [soort van erwt] {1854} de erwt wordt bij koken bruin, ongeveer de kleur van het habijt van de kapucijnen.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

kapucijner znw. m. de naam van een erwt, die wegens zijn grauwe kleur naar de monniken van die naam genoemd werd (vgl. grauwe munniken in Sliedrecht). — De Capucijnen hadden hun naam naar hun mantel, vgl. ital. cappucino (1525) gevormd van capuccio, mlat. capucium, waarvoor zie: kapoets.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

kapucijner znw. De erwt kapucijner heet naar de monniken van dien naam. Dial. (Sliedrecht) heeten de erwten ook grâuwe munniken. De monniken heeten naar hun mantel (it. cappucino 1525; van it. capuccio, mlat. capucium: zie kapoets).

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

kapucij’ner (de, -s), 1. struikvormige cultuurvorm van een oorspronkelijk Aziatische plant (Vigna sinensis, Bonenfamilie*), met licht-paarse bloemen en hoekige, bruine zaden. Peulgewassen zijn zeer geliefd: de gekiemde soja of oerdi* (gropesi*), tuinerwt en Surinaamse capucijner (Enc.Sur. 650). - 2. het (eetbare) zaad van deze plant. - Etym.: Het zaad lijkt sterk op AN k., die afkomstig is van een cultuurvorm van Pisum arvense (Bonenfamilie*), een voedselplant o.m. in Ned. - Zie ook: blak’aipesi*, botropesi*, djaripesi*, leysboon*. Opm.: De toevoeging ’Surinaamse’, als in het cit, is niet gebr.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

kapucijner (Duits Kapuziner)

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Kapel (kerkje), Lat. capella, verkleinw. van capa (= mantel). Het woord duidde oorspr. den schoudermantel van St.-Maarten aan; daarna de plaats (kerkje) waar deze reliquie werd bewaard; na de 7e eeuw werd ook elke kleinere kerk kapel genoemd. – Kapelaan, van ’t Lat. capellanus = oorspr. de geestelijke, die den genoemden mantel moest bewaren.
Van ’t bovengenoemde capa is ook afgeleid capucijn (monnik), wegens den kapmantel der orde.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

kapucijner ‘soort van erwt’ -> Surinaams-Javaans kapisèn ‘soort van erwt’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

kapucijner soort van erwt 1854 [WNT]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut