Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

kapstok - (voorwerp met haken om kledingstukken aan te hangen)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

kapstok zn. ‘voorwerp met haken om kledingstukken aan te hangen’
Vnnl. in een capstock met twee narmkens ‘een kapstok met twee stangen’ [1632; WNT Supp. arm I].
Samenstelling uit → kap 1 en → stok 1.
In kapstok heeft kap de nu verouderde betekenis ‘mantel’, die via ‘kapmantel’ uit ‘kap als hoofdbedekking’ is ontwikkeld; de stok was een horizontale stok waaraan pinnen waren bevestigd om kledingstukken aan op te hangen. Kapstok was dus oorspr. een doorzichtige samenstelling ‘stok om kappen aan te hangen’. Later werd een kapstok een voorwerp om binnenshuis buitenkledingstukken aan op te hangen.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

kapstok [lat om kledingstukken aan te hangen] {1669} van kap [mantel] + stok.

P.H. Schröder (1980), Van Aalmoes tot Zwijntjesjager, Baarn

kapstok

Natuurlijk is het woord kapstok een eenvoudige samenstelling van de twee zelfstandige naamwoorden kap en stok. Eigenlijk is de kapstok dan ook de stok om de kap aan op te hangen, dus de houten drager voor het overkleed. In vroeger tijd bezigde men ook wel het woord mantelstok. Men vindt dit bijvoorbeeld bij Jan Luyken. Zulk een kapstok is dus min of meer wat wij thans een klerenhanger noemen. Later gebruikt men het woord veelal voor een plank met pennen of haken, waaraan meerdere kledingstukken opgehangen kunnen worden. Merkwaardig is voorts de thans geheel verouderde betekenis die kapstok vroeger ook had, n.l. die van: malle vent, zot, kwibus. Zou ik met zulk een kapstok trouwen? roept een meisje in een 17e-eeuws kluchtspel uit.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

kapstok ‘lat om kledingstukken aan te hangen’ -> Duits dialect Kapstok, Kapstock ‘lat om kledingstukken aan te hangen’; Indonesisch kaps(e)tok, kastok ‘lat om kledingstukken aan te hangen’; Jakartaans-Maleis kapsetok ‘lat om kledingstukken aan te hangen’; Soendanees kastop ‘lat om kledingstukken aan te hangen’; Papiaments kapstòk (ouder: kapstok) ‘lat om kledingstukken aan te hangen’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

kapstok lat om kledingstukken aan te hangen 1669 [WNT]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

1078. De kap op den tuin hangen,

d.w.z. een beroep vaarwel zeggen; eig. gezegd van een monnik, die zijn kapmantel over den tuin (= omheining, haag, muur) van het klooster hangt en dit verlaatEene voorstelling hiervan is te vinden op de schilderij van Breughel (no. 61); vgl. omtuinen, Haarlemmer houttuinen, teertuinen (Amsterdam).. In de 16de eeuw treffen we de spreekwijze aan bij Plantijn: De cappe op den thuyn hanghen, pendre la chappe à la haye, iecter le froc aux orties, eiicere cucullam, apostatare, monachismum deserere, votifragum agere monachum; bij Anna Bijns, Refr. 56; 83 en 105; Tijdschrift XXI, 100: Wy willen de cappe opten tuyn gaen hanghen (anno 1524); Poirters, Mask. 101 kent ook de wiel (sluier) op den tuyn hanghen, dat natuurlijk oorspr. van eene non gezegd is; Pers. 822 a spreekt van den huyck op den tuyn hanghen. Varianten van deze spreekwijze zijn: zijn kap over de haag smijten of werpen; de kap op den tuin werpen (zie Ndl. Wdb. VII, 1415); het fri.: hy het syn brân oan 'e wân (zijn strijdzwaard aan den wand) hongen; het roer in de heg steken, de spade op den dijk steken; het anker achter de kat (paal op de kaai) werpen; het penseel in het spek steken, de schilderkunst vaarwel zeggen (Sewel, 635); de nal (naald) in 't spek steken (van een schoenmaker; Molema, 275 b en Draaijer, 38 b); de toga aan den kapstok hangen; Limb. de ploeg aan den wand hangen ('t Daghet XI, 95); de kap over de haag smijten (Volkskunde XIV, 144; Waasch Idiot. 270 a). Ook de Franschen zeggen: jeter le froc aux orties naast pendre l'épée au croc; bij Reuter, 128: sinen Preister an de irste beste Wide hängen; Wander II, 1739: er hat die Kutte an den Nagel gehängt; Dirksen I, 67: de nadel in 't spek steken; bl. 78: de rok an de nagel hangen; stadsfri. hij hangt den stok aan den muur, hij houdt op verkooper te zijn.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut