Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

kappen - (hakken)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

kappen 1 ww. ‘hakken’
Mnl. cappen ‘hakken’ [1240; Bern.], hi ... cappese ... al te stucken ‘hij hakte ze (de peppelbladeren) helemaal fijn’ [1351; MNW-P]; nnl. kappen met ‘ophouden met’ [1970; van Dale].
Een West-Germaans woord, waarvan de verdere herkomst onbekend is. Onwrsch. lijkt ontlening aan middeleeuws Latijn cappare ‘hakken, verknippen, castreren’; dit woord kwam vooral in Zuid-Europa voor (en resulteerde in Spaans en Portugees capar ‘verknippen, castreren’, zie ook → kapoen) en zou bovendien Middelnederlands *capperen hebben opgeleverd. Misschien moet men denken aan ontlening aan een voor-Indo-Europese substraattaal; in dat geval kunnen ook Oudengels cippian ‘afsnijden’ (zie → chips) en nnl.kippen 1 ‘uit de schaal komen’ verwant zijn.
Nnd. kappen (waaruit als woord uit de zeemanstaal nzw. kappa [1698; Hellquist], nu kapa ‘afhakken’); nhd. kappen ‘doorsnijden, doorhakken’ [17e eeuw; Pfeifer]. Wrsch. ook verwant: nhd. (dial.) kchapfen ‘in kleine stukken hakken’; me. choppen (ne. chop ‘hakken’, chap ‘splijten’).
In het NN bestaat kappen vrijwel uitsluitend in de betekenis ‘omhakken of afhakken (van bomen)’ en de daarvan afgeleide betekenis ‘ophouden’. In het BN is kappen het algemene woord voor wat in het NNhakken heet.
kap 2 zn. ‘het kappen’. Nnl. kap ‘houw, slag met een bijl e.d.’ in eenige kappen in de stammen en de takken der zelve geven [1714; WNT], kap ‘het kappen (van hout), houthakkerij’ [1795; WNT]. Afleiding van het werkwoord.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

kappen1* [hakken] {cappen 1201-1250} nederduits kappen, engels to chap (verwant met to chop); verwant met keep1 en kippen2 [uitbroeden, eig.: slaan].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

kappen 1 ww. ‘hakken’, laat-mnl. cappen, nnd. kappen (> nhd. kappen), de. kappe, zw. kappa, kapa. Dit lokaal-begrensde woord vinden wij echter ook in het opperelzass. als kchapf ‘in kleine stukjes hakken’.

Dit laatste zou kunnen wijzen op een germ. herkomst, waarvoor echter verder geen verwanten zijn aan te wijzen. Daarom denkt men ook aan een afl. uit het romaans, vgl. spa. port. capar ‘kappen, besnijden’, die te verbinden zijn met het onder kapoen genoemde lat. capo en dus behoren tot de idg. wt. *(s)kāb, waarvoor zie: schaven. — Het mlat. cappare ‘kappen’ kan nauwelijks als voorbeeld gediend hebben, daar het in het Frans niet voorkomt en bovendien zelf verklaring behoeft. H. Kuhn, Fschr. Hammerich (1962) 113-124 denkt, dat zowel het latijnse als het germaanse woord uit een andere, wellicht geheel onbekende taal, overgenomen is, evenals hij dat vermoedt voor de gelijkvormige woorden kippen 2 en kop.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

kappen I (hakken), later-mnl. cappen. = opperelz. kchapfe “splijten, kappen” (nhd. kappen uit het Ndl.-Ndd.), eng. to chap “splijten”, zw. kap(p)a, de. kappe “kappen”. Een synonieme basis kap- bestaat ook in de rom. talen: spa., port. capar “kappen, besnijden”, prov. cap-uzar “afhouwen”, ofr. chap-uisier “hout splijten”, die met lat. capo, capus “kapoen” verwant zijn (over deze basis zie schaven). Toch is het, vooral met ’t oog op de bij kippen besproken woorden, lang niet zeker, dat germ. kapp- ontleend zou zijn.

[Aanvullingen en Verbeteringen] kappen. Al gloss. bern. cappen “dissecare”.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

kappen I (hakken). Reeds Gl. Bern. cappen ‘dissecare’ (v.Wijk Aanv.).

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

kappen 1 o.w. (hakken), + Ndd. id., Hgd. id., Eng. to chap, Zw. kappa, De. kappe: verwant met kippen 1 en keep.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

kappen, (ook:) 1. met een houwer* (kapmes) verwonden of doden (van dier of mens. En die kaaiman, is die er nog? - Nee Juffrouw, mijn vader heeft hem gekapt (A. de Vries 1957 (7): 44). De beklaagde had zijn concubine zodanig gekapt, dat ze op de rand van invaliditeit is komen te verkeren (WS 2-4-1983). - 2. (i.h.b. vissen kappen) methode van vissen in het donker, waarbij men lopend langs de oever of door ondiep water vissen met een flashlight* (zaklantaarn) verblindt en dan met één klap van een houwer* (kapmes) doodt. Een dikwijls toegepaste methode is het kappen van vis met de houwer* in de avond bij licht (Geijskes 1954: 64). - Etym.: In AN bet. 1 veroud. - Zie ook: kapwond*, kapper*. Samenst. van 1 doodkappen*, kappartij.
— : een (kost)grond(je) kappen, (i.h.b.:) een stuk bos openhakken om daar een grond(je)* (grond*, 7; kostgrond*, 3) aan te leggen. De man [bij Bosnegers*] kapt voor zijn vrouw of elk zijner vrouwen een grondje; dat betekent, hij hakt van een uitgekozen plekje de zware boomen om en laat het vuur de omgevallen woudreuzen zoo veel mogelijk verslinden (Stahel 1927: 39). - Syn. een (k.)g. openkappen*. - Zie ook: grondje branden*, lakken*.
— : zie een lijn* kappen, zijn manja* en zijn tros* gekapt hebben.

J. du P. Scholtz (1961), Afrikaanse woorde en uitdrukkinge - eiegoed of erfgoed?, uitgegee deur Edith H. Raidt, in: Tydskrif vir Geesteswetenskappe, pp. 235-290

Kap ww. Ndl. hakken, wat in Afrikaans onbekend is. Hout kap. – Navorscher X, 252 vgg.: “Kappen, hakken:” Dek 4: Kappen, hakken, welk laatste woord hier onbekend is:” Corn. en Vervl. 524: “Voor het Fr. couper, hacher, houwen met eene bijl of een kapmes, zegt men nooit hakken maar wel kappen. Hout kappen:” Tuerlinckx 237: id. Wat was die onderskeie gebruiksfere van hakken en kappen in 17de–eeuse Nederlands? As term in die tolspel is die ww. kap in die Boland baie bekend: Met een tol na ’n ander kap. Saans pikken (Boekenoogen 752). In Suid-Nederland word kappen nog in hierdie sin gebruik (De Cock en Tuerlinckx V, 147, 149, ens.).

Thematische woordenboeken

P.G.J. van Sterkenburg (2001), Vloeken. Een cultuurbepaalde reactie op woede, irritatie en frustratie, 2e druk, Den Haag

kappen. Brouwers (1973) heeft de zelfverwensing ik laat mij aan hachjes kappen als het niet waar is! De letterlijke betekenis ervan is ‘ik laat mij in brokken, mootjes hakken als het niet waar is’. Ook de verkorte vorm ik laat mij kappen! komt voor. Deze formule, gebruikt ter onderstreping van de waarheid, wordt vaak met voeten getreden. Men doet dan als het ware een soort meineed, die de formule tot vloek en uitroep van verontwaardiging maakt. → hiel.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

kappen ‘hakken’ -> Duits kappen ‘afsnijden, besnoeien; afhakken; (scheepvaart) in geval van nood doorknippen’; Deens kappe ‘hakken’; Noors kappe ‘houwen, afhakken’ (uit Nederlands of Nederduits); Zweeds kappa ‘(af)hakken’ (uit Nederlands of Nederduits); Fins † kaapata ‘met een bijl of mes iets doorhakken’ ; Negerhollands kap, kappen ‘hakken’; Berbice-Nederlands kapu ‘hakken’; Skepi-Nederlands kap ‘hakken’; Papiaments kap ‘houwen, afhakken’; Sranantongo kapu (ouder: kappe) ‘hakken’; Surinaams-Javaans kapu, ngapu ‘hakken’ .

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

kappen* hakken 1240 [Bern.]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut