Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

kapotjas - (soldatenoverjas)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

kapotjas zn. ‘soldatenoverjas’
Vnnl. eerst het simplex cappotjen ‘overjas, niet specifiek voor soldaten’ [1654; WNT]; nnl. capot ‘id.’ [1711; WNT kapot], dan eerst capotrok ‘soldatenoverjas’ in Capotrokken of Jassen [1772; WNT kapotrok], en dan kapotjas ‘id.’ in bij goed weder in groote tenue, bij regenachtig of slecht weder in de kapotjassen [1817; WNT].
Ontleend aan Frans capote ‘soldatenmantel met capuchon’ [1832; TLF], eerder ook al ‘grote mantel met capuchon’ [1688; TLF], een afleiding van het oudere woord capot ‘kledingstuk met een kap’, dat is afgeleid van cape ‘kap’, zie → cape en → kap 1. In het Nederlands ontstond later ter verduidelijking de samenstelling met → jas.
Een capot of capote kon, afhankelijk van de mode, in het Frans verschillende kledingstukken aanduiden, met het gemeenschappelijke kenmerk dat er een hoofdbedekking aan vast zat. Ook capote ‘soort hoed’ [1820; TLF] heeft bestaan, door het Nederlands ontleend als kapothoed. Bij uitbreiding werd het Franse woord ook gebruikt voor anderssoortige kappen ter bescherming, bijv. capote ‘beschermkap voor voertuigen’ [1839; Rey] en de vaste verbinding capote anglaise ‘condoom’, zie → kapotje.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

kapotjas [soldatenjas] {1817} van frans capote [grote mantel met kap, kapothoed] < latijn cappa (vgl. kap).

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

kapotjas en kapothoed bevat als 1ste lid fra. capot ‘regenmantel’ een afl. van cape, zie: kap.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

kapotjas, kapothoed znww. Nnl. samenstt. met een uit fr. capot, capote “regenjas” (van lat. cappa “kap”) ontleend eerste lid. Westf. kaputt o. = “(linnen) wambuis met mouwen”.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

kapotjas, kapot ‘soldatenjas’ -> Papiaments kapótias, kapóti ‘soldatenjas’; Papiaments kaputjas ‘insect (wellicht zo genoemd naar de kleur en vorm)’; Creools-Engels (Maagdeneilanden) † kapoto ‘schort’ .

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

kapotjas soldatenjas 1817 [WNT]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut