Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

kapok - (zaadpluis van de kapokboom (Ceiba pentandra))

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

kapok zn. ‘zaadpluis van de kapokboom (Ceiba pentandra)’
Vnnl. capock [1620; de Jonge I, 239].
Ontleend aan Maleis kapuk of kapok, verdere etymologie onbekend.
De boom is inheems in Latijns-Amerika en aan de tropische westkust van Afrika, maar wordt in Azië, met name in Maleisië, de Filipijnen en Indonesië intensief gecultiveerd.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

kapok [zaadpluis van kapokboom] {1647} < maleis kapuk, kapok, javaans kapuk.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

kapok znw. m. eerst nnl. < maleis kapok ‘katoen’.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

kapok znw. Oorspr. maleisch.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

kapok v., uit Mal. id.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

kapok s.nw.
1. Wollerige vrugpluis van enkele tropiese boomsoorte wat veral geskik is om o.a. matrasse en kussings mee op te stop. 2. Boom wat kapok (kapok 1) dra. 3. Sneeu in vlokkige vorm, ter onderskeiding van sneeu in kristalvorm.
In bet. 1 en 2 uit Ndl. kapok (1647 in bet. 1, 1868 in bet. 2) of Maleis kapoq. Bet. 3 het in Afr. self ontwikkel. Eerste optekeninge in Afr. in bet. 1 by Leibbrandt (1882) en in bet. 3 by Mansvelt (1884).
Vanuit Afr. in S.A.Eng. (1913 in bet. 1).

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

kapok: “boomwol”; (in Afr. wsk. beter bek. in bet.) “sneeu”; Ndl. (sedert l7e eeu) kapok/kapoek uit Mal. kapoek/kapoq, “boomwol” (vgls. WNT verkry v. Eriodendron anfractuosum, vlgs. Web e.a. spp. Bombax/Ceiba, fam. Bombacaceae), in S.A. van versk. plante (v. infra en Mar 46) – toep. op “sneeu” berus op kleurvergelyking; v. Scho TWK/NR 7, 2, p. 4.

N. van der Sijs (bezorger) (2003), Uit Oost en West. Verklaring van 1000 woorden uit Nederlands-Indië van P.J. Veth (1889), met aanvullingen van H. Kern en F.P.H. Prick van Wely (1910), Amsterdam. Gebaseerd op: Uit Oost en West. Verklaring van eenige uitheemsche woorden van P.J. Veth uit 1889, recensie van het werk van Veth door H. Kern in De Indische Gids van 1889, en ‘Etymologisch aanhangsel’ (p. 297-350) uit het Viertalig aanvullend Hulpwoordenboek voor Groot-Nederland van Prick van Wely uit 1910

kapok [zaadpluis van kapokboom]. Maleis kapok. [P]

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

kapok (Maleis kapoek)
Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

kapok ‘zaadpluis van de kapokboom’ -> Engels kapok ‘zaadpluis van de kapokboom’; Frans kapok ‘fijne katoenen wol van de zaden van een boom’ ; Pools kapok ‘fijne katoenen wol van de zaden van een boom’; Maltees kapok ‘zaadpluis van de kapokboom’ ; Arabisch (MSA) kābūk ‘zaadpluis van de kapokboom’ ; Arabisch (Egyptisch) kabūk ‘zaadpluis van de kapokboom’ ; Zuid-Afrikaans-Engels kapok ‘zaadpluis van de kapokboom’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

kapok zaadpluis van kapokboom 1620 [De Jonge IV, 239] <Indonesisch

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal