Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

kantoor - (vertrek of instelling waar administratief werk wordt verricht)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

kantoor zn. ‘vertrek of instelling waar administratief werk wordt verricht’
Mnl. contoor ‘kast, kist, koffer waarin men de kasboeken enz. bergt’ in int contoor op der scepenen cameren [1300-1450; MNW], ook contoir [1472; Stall. II], comptoir [eind 15e eeuw; MNW toer], kanthoir [1481; MNW], contoir ‘zeker vertrek’ in vander capelle, contoire ende cameren [1480; MNW]; vnnl. contoir “schrijfcamer” [1567; Nomenclator], kantoor ‘werkvertrek van een koopman’ [ca. 1615; WNT]; nnl. ook het verkleinwoord kantoortje ‘klein vertrek om rustig met een klant te spreken’ [1802; WNT], kantoor ‘handelszaak’ [1785; WNT].
Ontleend aan Frans comptoir ‘tafel waaraan handelaren klanten helpen en geld in ontvangst nemen’, ouder vaak in de spelling contoir, oudste vorm comptoer [1345; Rey], uit middeleeuws Latijn computorium ‘tafel waaraan men rekenwerk verricht’ [1274; Rey], een afleiding van het Latijnse ww. computāre ‘tellen’, zie → computer. In het Middelnederlands vond overgang o > a plaats in de lettergreep voor de klemtoon, zoals dat vaker gebeurde in Franse leenwoorden, zie bijv.bazuin.
In het Frans was conter de klankwettige ontwikkeling van het Latijnse ww. computāre; vanaf de 13e eeuw werd de spelling geleidelijk aan het Latijn aangepast en in de 15e eeuw werd compter ‘tellen’ de gebruikelijke spelling, naast conter ‘vertellen, verhalen’. Ook comptoir is een latere spellingaanpassing van contoir, de vorm die in het Nederlands is ontleend.
In het Middelnederlands duidde het woord net als in Frans een meubelstuk aan waarin men de boekhouding e.d. opborg en waaraan men schreef en afrekende. In het Frans bleef dit lange tijd de enige betekenis, maar in het Vroegnieuwnederlands verschoof de betekenis naar ‘kamer waar zo'n meubelstuk zich bevindt’, waarop alle latere betekenissen zijn terug te voeren. In het hedendaagse kantoor wordt vooral denkwerk en administratief werk verricht, bijv. bij banken, overheidsinstellingen en grote bedrijven. De ontwikkeling is vergelijkbaar met die van Frans bureau.
Het Nederlandse woord is door het Russisch ontleend als kontóra ‘kantoor, bureau’ (Van der Meulen 1959).
Lit.: M. Philippa (1996), ‘Kantoor’, in: OT 65, 101

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

kantoor [werkvertrek, bureau] {contoor, contoir [een dichte kast voor het opbergen van paperassen] 1256-1370, cantoor 1481} < frans comptoir met de oorspr. betekenis van ‘rekentafel’, van compter [rekenen] < latijn computare [berekenen] (vgl. computer).

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

kantoor znw. o., laat-mnl. cantoor, contoor o. ‘bureau, gesloten kast’ < fra. comptoir (sedert de 14de eeuw) ‘rekentafel; rekenkamer’, afl. van compter < lat. compūtāre ‘rekenen’. In lettergr. vóór de klemtoon verandert in leenwoorden uit het Fra. de o meermalen > a zoals in arduin, kampanje, karwei 1, katoen, laveren. — > russ. kontóra (sedert 1717, vgl. R. v. d. Meulen, Verh. AW Amsterdam 66, 2, 1959, 40).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

kantoor znw. o., laat-mnl. cantoor, contoor o. “bureau, gesloten kast”. Uit fr. comptoir, oorspr. “rekentafel, rekenkamer”, van compter (< lat. computâre) “rekenen”. Voor de vóór den toon veranderde vocaal vgl. arduin, katoen, karwei I, laveren.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

kantoor o., uit Fr. comptoir = rekenplaats, rekentafel, van compter, Lat. computare = tellen, van cum (z. ge-) en putare = zuiveren, denken: z. ent.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

kantoor (Frans comptoir)

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Kantoor, van ’t Fr. comptoir = rekenplaats; van compter = rekenen.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

kantoor ‘werkvertrek, bureau’ -> Engels † cantore ‘werkvertrek; bankiershuis’; Duits Kontor ‘vestiging van een handelsonderneming in het buitenland; (DDR) handelscentrale die de verschillende bedrijven van materiaal voorziet; (verouderd) zakenruimte van een koopman’; Deens kontor ‘werkvertrek’ ; Noors kontor ‘werkvertrek’ (uit Nederlands of Nederduits); Pools kantor ‘werkvertrek, bureau’; Russisch kontóra ‘werkvertrek; bestuur van een dorpsgemeente; kroeg; (jongerentaal) gebouw van de politie of KGB; (Bargoens) gevangenis; dievenhol’; Oekraïens kontóra ‘bureau van administratie’ ; Lets kantoris ‘werkvertrek’ ; Litouws kontora ‘werkvertrek’ ; Indonesisch kantor; (Bahasa Prokem) kanokat ‘werkvertrek, bureau’; Ambons-Maleis kantoor ‘werkvertrek, bureau’; Balinees kantor ‘werkvertrek, bureau’; Boeginees kantôró ‘werkvertrek, bureau’; Jakartaans-Maleis kantor, kantoran ‘werkvertrek, bureau’; Javaans kantor(an) ‘werkvertrek, bureau; schrijftafel met lade’; Keiëes kantor ‘werkvertrek; politiebureau; rechtzaal’; Kupang-Maleis kantoor ‘werkvertrek, bureau’; Madoerees kantor ‘werkvertrek’; Makassaars kântoró ‘werkvertrek, bureau’; Menadonees kantoor ‘werkvertrek, bureau’; Minangkabaus kantua ‘werkvertrek, bureau’; Muna kantori ‘werkvertrek, bureau’; Rotinees kantòl ‘werkvertrek’; Soendanees kantor ‘werkvertrek, bureau’; Ternataans-Maleis kantoor ‘werkvertrek, bureau’; Creools-Portugees (Batavia) cantoor, kantor, cantor ‘werkvertrek, bureau’; Singalees kantōru-va ‘werkvertrek’; Tamil dialect kantōr ‘werkvertrek, bureau’; Papiaments kantor (ouder: kantoor) ‘werkvertrek, bureau’; Sranantongo kantoro ‘werkvertrek, bureau’; Aucaans kantoo ‘werkvertrek, bureau’; Sarnami kantoro ‘werkvertrek, bureau’; Surinaams-Javaans kantor ‘werkvertrek, wc’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

kantoor werkvertrek, bureau 1524 [WNT] <Frans

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

1076. Aan 't goede (of verkeerde) kantoor zijn,

d.w.z. zich tot den juisten (of verkeerden) persoon gewend hebben om iets gedaan te krijgen, 18de eeuw aan de verkeerde deur kloppenNdl. Wdb. III, 2465.. Zie Harrebomée I, 380: Hij is aan het verkeerde kantoor: Hij komt aan een goed kantoor; III, CXXV: Hij is daar aan een goed kantoor; Ndl. Wdb. VII, 1390; Kmz. 376: Ze motte met mijn beginne, dan zijn ze aan 't goeie kantoor! Het Volk, 18 April 1914, p. 5 k. 4: Ik wil maar zeggen, dat de heer W. een malle pedant is en bij mij in alle opzichten aan het verkeerde kantoor; Menschenw. 218: ‘Uitklaiie’.... gilt me 't lieve mensch! .... ‘Nee maan, dan is uwes an 't verkairde ketoor; Schoolblad XLIV, k. 351: Alle bondsmannen weten dus nu vooruit dat zij met klachten den Bond betreffende bij ons niet aan het rechte kantoor zijn; fri. oan 't forkearde kantoar komme, niet terecht zijn, den verkeerde voorhebben; eng. to be in the wrong shop; syn. van aan het goede of verkeerde adres zijn; Mgdh. 142: Nee, hoor, dan ben je bij mijn niet aan 't goeie adres. Vgl. hd. vor die rechte Schmiede gehen.

1117. Keet.

In eigenlijken zin verstaat men onder een keet een loods, een hut van polderwerkersPropria Cures, XXVI, 171: Zoo is er in Utrecht een heele herrie in de hut., waar het nu niet zoo bijzonder ordelijk uitziet; vandaar de beteekenis troep, warboel, rommel, herrie, pan, lawaai, die het woord thans veelal heeft; in Zuid-Nederland verstaat men er ook een ellendig huis, een krot onder; vgl. Teirl. II, 122: keete, ellendig huis; De Bo, 507: keete, gering huis, slechte woning, huis van ontucht. - V. Schothorst, 151: et was en keet, 't was een herrie; Van Ginneken, Handb. I, 490; Nkr. VI, 14 Sept. p. 2: Van de S.D.A.P. en haar geheimen gesproken, zei toen m'n zwager, dat zal een keet worden op dien rooden Dinsdag; Köster Hencke, 31: keet, herrie, drukte, janboel; ook menigte: wat een keet gajes (volk); evenzoo in Jord. 60: kinderkeet; in Ppl. 217: 'n Heele keet knechte; bl. 9: Vandaag lijkt de heele keet wel vervloekt; Nkr. III, 18 April p. 4: Veel herrie was er in de keet, wat juichten onze kranten; 5 Sept. p. 4: Maak nu geen herrie in de keet, zoek liever arbitrage; De Arbeid, 30 Mei 1914, p. 4 k. 1: Het wordt anders een keet met al die verordeningen. Ook als bepaling van maat in Ppl. 4: Ik voel me nou 'n heele keet (vgl. een heele boel, een heele rommel) beter. Uit deze beteekenis rommel, herrie heeft zich die van lawaai, drukte, pret ontwikkeld, evenals bij herrie (oorspr. herberg? zie no. 902), het Vlaamsche kot, houten huisje, maar ook leven, gedruisch: Een kot houden (van al duivels), er geweldig huishouden. - Was dat daar een kot! (De Bo, 563; Schuermans, 283; Teirl. II, 176, enz.), en het Gron. kantoor in kantoor moaken, schuppen, leven, alarm, gedruisch, twist (Molema, 191). Ook ‘pan’ vereenigt, evenals keet, de beteekenis menigte en herrie, lawaaiBijvorm van lavei van 't ww. laveien, over straat zwaaien (Franck-v. Wijk, 373). in zich. In den zin van herrie, drukte komt keet voor in verbinding met de ww. fokken, maken, schoppen en trappen; waaarnaast ook keetjes (grapjes) maken en een wkw. keten wordt aangetroffen; zie Van Ginneken, Handb. I, 492; Weekbl. voor Gymn. en Middelb. Onderwijs VIII, 1326; IX, 420-421; 423; syn. is deining fokken en berzie makenBerzie (ook birzie) heeft ook de beide beteekenissen ongeordende troep en drukte, herrie. Voor de afleiding (vgl. nd. birsen, het onrustig heen en weer loopen van het vee) zie Ndl. Wdb. II, 1938 en vgl. Tijdschrift, XXXVII, 64: berzieboel en wanberzieboel..(Aanv.) In de 17de eeuw is keet in den zin van huis, woning reeds bekend in de uitdr. iemand de keet uitboenen (Winschooten, 103). Zie verder Ndl. Wdb. VII, 2017.

1201. Hij is in zijn knollentuin

of in zijn knollen (o.a. in Boefje, 11; 196; 218; Landl. 246), d.w.z. hij heeft het recht naar zijn zin, is in zijn schik; oorspr. zeker van een haas gezegd, die zich te goed kan doen aan het lof van knollen, die in zijn ‘knolleland’ zit. De uitdr. is aangetroffen in de 17de eeuw in de Tien Vermakelikheden des Houwelyks, anno 1678, bl. 138: Niemant vergeet u toe te wenschen dat gy toekomende jaar een dochter by uw zoon, of een zoon by uw dochter moogt hebben, meynende dat het spul dan volmaakt, en gy geweldig in uw knoltuyn zijn zoudt; zie ook Gew. Weeuw. III, 69; Harreb. I, 421; Nkr. I, 23 Juni p. 2; III, 13 Juni p. 2; VI, 24 Febr. p. 2; 21 Dec. p. 2. In de Br. v. Abr. Bl. I, 44; 64; 128; C. Wildsch. II, 155; III, 25; VI, 97, enz. komt voor in zijn tuin zijn. Te vergelijken zijn uitdrukkingen als: hij is nu recht op syn koeweyde (Campen, 122; Coornhert, Van den thien Maeghden, fol. 471); Sart. II, 6, 33: hier is hy in gras-duynen; hier is hy in zyn schick, in syn koewey, oorspr. natuurlijk van eene koe gezegd; in zijn veld zijn (Tuinman I, 241); op de deune zijn (Twente); in zijn hof zijn (Harreb. I, 313); op zijn dreef zijn (zie no. 489); op zijn oude doft (= roeibank) zijn; hij is in zijn bouw; fri.: hy is yn syn bou (bouwland) of yn syn kouwefinnen (veeweiden); uit zijn loef (eig. dol van een roeiriem) zijn, niet in zijn schik zijn (Schuerm. Bijv. 188); hij is in zijn klavergers (De Bo, 527; Schuerm. 247 b); in zijn weêre zijn (De Bo, 1375); op z'n kantoor zijn (Onze Volkstaal I, 37; Sart. I, 7, 57 en vgl. C. Wildschut I, 47: op zijn comptoir zijn) en het Zaansche op zijn raap zijn, in zijn polder zijn en weer op de klaver zijn (Boekenoogen, 804 en 441), hersteld zijn na eene ziekte; op zijn akkertje zijn (in Jord. 307); in zijn folion zijn (S. en S. 31); vgl. het eng. to be or live in clover, in gelukkige omstandigheden verkeeren, in weelde leven. In het Latijn zeide men in arena sua esse (vgl. o.a. Sart. III, 7, 40).

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut