Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

kant - (fustig)

Etymologische (standaard)werken

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

kant 3 bnw. ‘scherpzijdig; welgemaakt, kloek; (van flessen en vaten) niet geheel vol’, vgl. kant en klaar; fri. kant ‘haaks, recht, welgemaakt’ en kantich ‘flink’ (vgl. vla. kantig ‘fraai, schoon, effen’), oostfri. kant ‘glad (van hout), netjes, klaar, geheel en al’. — Misschien een fries-holl. vorm voor gekant ‘van kanten voorzien, goed geschaafd’.

Onzeker is het, of men uit het nl. mag afleiden me. cant, kaunt (sedert de 14de eeuw), ne. dial. schots cant ‘flink, energiek’, vgl. Toll 36.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

kant III bnw., nog niet bij Kil., in kant en klaar, dial. ook kant alleen met de bett. “flink, handig, groot, best, netjes”. = fri. kant “haaksch, recht, welgemaakt” naast kantich “flink” = vla. kantig “fraai, schoon, effen, in regel”. Oorspr. was kant (misschien een vorm van fri. en naburige diall.) = gekant “van kanten voorzien, naar behooren afgeschaafd”. Oostfri. kant beteekent “glad (bijv. van hout), netjes, klaar, geheel en al”, kantîg “met hoeken”. Het werkwoord kanten komt sedert Kil. voor = “extremitatem abscindere”, mnl. canten (brab.) = “apart leggen”. Zich kanten tegen komt mnl. en bij Kil. niet voor.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

kant III bnw. Eng. dial. cant ‘flink, energiek’, dat reeds in de 14e eeuw voorkomt, kan moeilijk uit het Ndl. ontleend zijn. Misschien is het een heel ander woord. — Naar ndl. kant en klaar (of dezelfde ndd. uitdr.) de. kant og klar.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

kant 4 bijv.(fustig), is het nw. *kant = vat: z. kantje.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

kant ‘zijde, rand’ -> Engels cant ‘rand, zijde; kanteling, helling’; Deens kant ‘zijde, rand, (van kleding) boord’ (uit Nederlands of Nederduits); Noors kant ‘rand, smalle zijde’ (uit Nederlands of Nederduits); Zweeds kant ‘zijde, rand’; Fins kantti ‘zijde, rand’ ; Ests kant ‘zijde, rand’ (uit Nederlands of Duits); Pools kant ‘een smalle oppervlakte, zijde’ (uit Nederlands of Duits); Litouws kantas ‘zijde, rand, (van kleding) boord’ (uit Nederlands of Duits); Negerhollands kant ‘zijde, rand, hoek’; Berbice-Nederlands kandi ‘zijde, rand’; Papiaments kantu (ouder: kante, kanto, kantsje, kanchi) ‘zijde, rand, berm, oever’; Sranantongo kanti ‘zijde, rand’; Sarnami kánti ‘zijde, rand’; Surinaams-Javaans kanthi ‘kant, wal’ .

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut