Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

kanker - (in pejoratieve samenstellingen)

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

kan’kergras (het), soort onkruid (Cyperus rontundus, Baboen-nefifamilie*). - Etym.: ’Kanker’ heeft betrekking op het ongewenste woekeren van de plant. - Syn. adroe* (1).

Thematische woordenboeken

M. De Coster (2007), Groot scheldwoordenboek: van apenkont tot zweefteef, Antwerpen

kankeraap: (racistisch) kleurling. De term is vooral populair in voetbalstadions. Scheldvormen met ziektes zoals kanker-, pest-, tering- enz., zijn erg populair, ook op de tribune. Zie ook opmerkingen onder aap*.

Het wordt steeds grover, beamen de anderen. Bij NAC heeft een tegenstander ‘een kop om op te schieten’, bij Feyenoord hanteert men het woord ‘kutkanker’ als adjectief voor ongewenste elementen – ‘kutkanker Turken’, ‘kutkanker joden’ – en op vrijwel alle tribunes heet een kleurling een pleurisnikker, een baviaan, een klere-aap, een kankerneger, een banaan, een vuile koffieboon, een kankeraap. Als Ajax op bezoek komt, gaan de fans van de tegenpartij zingend op ‘jodenjacht’, of bootsen ze met sissende geluiden ontsnappend gas na. (HP/De Tijd, 23/08/1991)
Maar donderdagmiddag lijkt die notie ook in thuishaven De Ballentent springlevend. Eigenaar Marius Lambermon, strak in het pak en biertje in de hand, veert op als het woord ‘Marokkanen’ valt. ‘Allemaal kankerapen’, poneert hij. (de Volkskrant, 01/03/2002)

kankerbak: mopperaar; ook: onaangenaam persoon. Reeds opgetekend in 1984.

Vuile gore kankerbakken! Oprotten! (Nieuwe Revu, 07/03/1991)
Uit de zaak klinkt geboer, gewind en gescheld. Zo van: ‘Kankerbak, slettehoer’ et cetera. (Nieuwe Revu, 04/05/1994)

kankerboer: (onder Amsterdamse voetbalsupporters) de tegenpartij (voetbalclub en/of supporters) die uit ‘de provincie’ komt. Tijdens wedstrijden tussen Ajax en PSV wordt vaak gezongen Liever jood dan kankerboer. Hierop bestaat uiteraard ook een Brabantse versie: Liever boer dan kankerjood. Zie ook boer*.

Normaal is de scheidsrechter een ‘flikker’ en zijn de tegenstanders ‘kankerboeren’, maar dit ging mij te ver. (Het Parool, 14/11/1992)
In de wandelgangen heb ik wel een rijmpje gehoord: Spooren heeft een kleine leuter/ Scheelde hem geen moer/ Toen pakte hij een kleuter/ Nu zit hij vast, de kankerboer. (Nieuwe Revu, 21/05/2003)

kankerhoer, kankerkaashoer: ontuchtige vrouw. Soms ook van toepassing op mannen, in de zin van ‘verachtelijk persoon’. Scheidsrechter Jaap Uilenberg gaf Volendam-speler Marcel Valk eind jaren negentig een gele kaart voor een grove overtreding. Valk had hem uitgemaakt voor vieze vuile kankerhoer. Zie ook kaashoer*.

Een paar keer per dag voor kankerhoer worden uitgemaakt, is in mijn ogen geen agressie. (Nieuwe Revu, 12/01/2000)
Waar ze toen door Turkse en Marokkaanse meisjes allemaal voor werd uitgemaakt: kankerkaashoer, vuile slet… (HP/De Tijd, 31/12/2004)

kankerhond: (onder voetbalsupporters) iemand van de tegenpartij.

Bij Sparta wordt niemand uitgemaakt voor ‘vuile kankerhond’. (Vrij Nederland, 31/05/2003)
Van D., die door officier van justitie Van Kerkhof werd getypeerd als een ‘stevige’ Ajax-fan, sprak op 17 mei dreigende teksten in op de mobiele telefoon van de toenmalige aanvoerder van het door hem zo gehate Feyenoord. ‘Je gaat helemaal dood, je bent dood, je bent echt dood, kankerhond. Ik weet waar je woont en ik ken het café waar je komt.’ (de Volkskrant, 08/08/2003)

kankerjood: voetballer van joodse komaf; Ajacied. Voor veel supporters is Ajax een specifieke jodenclub. Begin jaren negentig was dertig procent van de voetballertjes beneden de twaalf jaar Jood. Het scheldwoord kankerjood voor Amsterdammer is in sommige gedeelten van Zuid-Holland al aardig ingeburgerd. Ook zwarte voetbalspelers krijgen dit predikaat.

Dat was een trotielje, heb ik zellef indertijd nog tegen Ajax geworpen, toen die kankerjoden op 3-0 stonden. (Dimitri Frenkel Frank, Memoires van een lafaard, 1986)
Gisteren tijdens FC Den Bosch-Ajax zong de Bossche aanhang teksten in de richting van de Amsterdammers als ‘kankerjoden, olé, ole’ en ‘we gaan op jodenjacht’. Er werd niets tegen ondernomen, noch door politie, noch door de scheidsrechter, noch door de clubbestuurders. (NRC Handelsblad, 20/04/2000)

kankerlijer: erg onaangename vent. Oorspronkelijk wellicht soldatentaal. Naar analogie van kelerelijer*.

Salu, zeg die kankerlijer gedag! (A.M. de Jong, Frank van Wezels roemruchte jaren, 1928)
Ik vroeg die kankerlijer of hij alsjeblieft geen heroïne aan mijn vriendin wilde verkopen. (Haagse Post, 29/03/1986)
Vuile leugenachtige kankerlijder… (Hermine Landvreugd, Het zilveren theeëi, 1993)

kankerlul: vervelende, onaangename vent; klootzak*.

Die kankerlul, wat was hij van plan? (Kees van Beijnum, De oesters van Nam Kee, 2000)

kankermaf: (jeugdtaal) stomme gek.

Jowie snauwt: ‘Kun je niet uitkijken, kankermaf. Wat moe je nou?’ (HP/De Tijd, 09/07/1999)

kankermongool: (vnl. Rotterdams) onaangenaam iemand. Zie ook mongool*.

Dan scheldt hij een vermoedelijke misdaadcompagnon uit voor ‘kankermongool’ of zet hij zijn chauffeur, klusjesman en lijfwacht, de 26-jarige Anton R., zodanig op zijn nummer dat de politie de contouren van zijn organisatie in beeld krijgt. (NRC Handelsblad, 03/02/2001)

kankerpit: iemand die voortdurend kankert; mopperaar. Bij Henke betekent het ‘kwaad wijf’ en ook ‘iemand, die het niet naar de zin is te maken, maar op alles wat te zeggen heeft’. Volgens het WNT oorspronkelijk soldatentaal.

‘Kom, kankerpit!’ onderbrak Balletje. (Willem van Iependaal, Polletje Piekhaar, 1935)
Wees blij dat je wat krijgt, kankerpit. (Jan Mens, Er wacht een haven, 1950)

kankerslet: verachtelijke vrouw. De rapgroep DHC uit Den Haag bracht in 2004 een nummer uit, waarin volgende regels voorkomen: ‘Stuur een scud-raket naar die kankerslet’ (waarmee VVD-kamerlid Ayaan Hirsi Ali werd bedoeld). Het liedje circuleerde op internet en werd ook door andere media verspreid. De politica deed aangifte wegens bedreiging.

‘Sukkel’ moet een politieman slikken. Maar scheldwoorden als kankerslet, nazi, SS’er, fascist en NSB’er kunnen een bon opleveren. Het Amsterdamse korps is in Nederland koploper in het verbaliseren voor het beledigen van agenten. (Het Parool, 14/05/1999)
Ruzie mocht ook. Dat ik mijn vrouw zou uitschelden voor tyfushoer en kankerslet. (Youp van ’t Hek in NRC Handelsblad, 10/04/2004)

kankerstraal: verachtelijk persoon; ellendeling; klootzak*.

Gore kankerstraal. (Boudewijn Büch, De rekening, 1989)

kankerturk: (racistisch) Turk. Vgl. kutmarokkaan*.

Fatos moet in de film steeds uitleggen waarom ze een hoofddoekje draagt. ‘Ik heb vroeger veel last gehad. Dat mensen me kankerturk noemden en met allerlei vooroordelen over uithuwelijken en zo in hun hoofd liepen. Dat wordt minder als je je houding verandert en je pittig opstelt. Ik denk dat het makkelijker is als je ouder bent.’ (Trouw, 26/06/1999)

kankerzwarte: (racistisch) neger.

Iemand zei kankerzwarte tegen me. (HP/De Tijd, 25/10/2002)
Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

kankerweer zeer slecht weer 1984 [GVD]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut