Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

kanker - (kwaadaardige ziekte)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

kanker zn. ‘kwaadaardige ziekte’
Mnl. kanker ‘woekergezwel of de aandoening die dit veroorzaakt’ [1240; Bern.].
Ontleend aan Latijn cancer ‘kanker, kankergezwel’, een woord dat de Romeinse geneeskundige Celsus (28 v. Chr.-25 na Chr.) gebruikte ter vertaling van Grieks karkínos ‘kankergezwel’ (bij Hippocrates). Beide woorden hadden eerder al de betekenis ‘krab’. Hippocrates bestudeerde en beschreef diverse vormen van kanker: aan borst, baarmoeder, maag en huid; zijn naamgeving voor deze ziekten baseerde hij op de vorm van de door hem geobserveerde gezwellen, een hard centrum met enkele uitlopers, die hij vergeleek met de vorm van een krab.
Ook al vroeg ontleend: ohd. cancur, chanchur (maar nhd. Krebs ‘krab; kanker’); oe. cancer, cancor (ne. door herontlening cancer ‘kanker’, canker ‘kanker (bij dieren en planten)’).
Grieks karkínos en Latijn cancer zijn wrsch. ook formeel met elkaar verwant (de n in het Latijnse woord is dan secundair) en verder misschien met Grieks kárkaros ‘hard’ en nog minder zeker met Sanskrit karkara- ‘hard’, karkaṭa- ‘crab’.
De Middelnederlandse spellingen van dit woord wijzen consequent op een uitspraak met tweemaal /k/ en onderscheiden zich daarmee van het Middelnederlandse woord cancer, waarmee de derde betekenis van Latijn cancer, ‘het sterrenbeeld Kreeft’ wordt weergegeven.
De aandoeningen die in historische teksten met dit woord werden aangeduid, vallen niet altijd onder wat men thans kanker noemt. Die term is nu een verzamelnaam voor verschillende ziekten met als belangrijkste gemeenschappelijke kenmerk een ongeremde, levensbedreigende celdeling.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

kanker [ziekte] {canker(e) 1201-1250} < latijn cancer (gedissimileerd uit carcer-) [kreeft, kwaadaardige woekering]; verwant met grieks karkinos [kreeft (het dier met de harde schaal), kanker] → sjanker.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

kanker znw. m., mnl. canker ‘kankergezwel, woekergezwel’, ohd. chanchur, cancur, oe. cancor < lat. cancer ‘kreeft’. — Daar het woord echter ook gebruikt wordt voor uitwassen aan bomen, vermoedt men wel vermenging met een ander woord, dat verwant zou zijn met gr. góggros ‘uitwas aan bomen’, gággraina ‘koud vuur’ (IEW 379 leidt echter ook de bet. ‘uitwas aan bomen’ uit die van ‘kankergezwel’ af, ofschoon on. kǫkkr ‘bal’ bewijst, dat er in het germ. een aan gr. góggros beantwoordend woord bestond).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

kanker znw., mnl. canker m., o. “kanker”. = ohd. chanchar, cancur (nhd. kanker m.), ags. cancor m. (eng. canker) “kanker”. Er is niet de minste aanleiding om ontl. uit lat. cancer “kreeft”, ook “kanker, kankergezwel” te betwijfelen en gr. góngros “uitwas aan boomen”, gángraina “koudvuur” voor oerverwant te houden. Mnl. canker “kreeft” berust op jongere overname van lat. cancer.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

kanker m., gelijk Hgd. id., Eng. canker en Fr. chancre, uit Lat. cancer = kreeft, kanker + Gr. karkínos, Skr. karkatas = kreeft.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

kaanker (zn.) kanker; Vreugmiddelnederlands kanker <1240>.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

kanker (Latijn cancer)

P.G.J. van Sterkenburg (2001), Vloeken. Een cultuurbepaalde reactie op woede, irritatie en frustratie, 2e druk, Den Haag

knok. Een vijftienjarige Leidse scholiere stuurde mij de volgende verwensing: krijg knok! Knok blijkt een letterwoord te zijn, want zij verklaart dat met keel-, neus- en oorkanker. Overbodig te zeggen dat de verwensing op grote woede en minachting duidt. De betekenis is ‘donder op’. → kanker.

kanker. De naam van een soort kwaadaardig woekergezwel in het menselijk lichaam is in alle culturen aanleiding geweest tot allerlei eufemistische omschrijvingen en verdoezelingen (bijvoorbeeld hij heeft k (voor kanker). In ons materiaal komen de volgende, dat taboe doorbrekende, verwensingen voor: krijg (toch) de kanker!; krijg de kanker aan je hart!; krijg de kanker achter je hart (dat de dokter er niet bij kan)!; krijg de kanker achter je hartkleppen!; krijg de kanker achter je linker hartklep!; krijg de kanker in je hart(klep)!; krijg de kanker achter je oren!; krijg de kanker waar de dokter niet bij kan komen!; krijg de kanker en sterf een langzame pijnlijke dood!; krijg de kanker en val dood in je grafkist, dan kom ik je de volgende week even opzoeken!; krijg de kanker in je fucking lichaam!; krijg de kanker op je lip!; loop naar de kanker! In Voorschoten kent men de verwensing krijg de kanker!, maar wie het slachtoffer is van die verwensing geeft als antwoord heb je terug van aids! In Leiden noteerde ik uit het verwensingsvers stik, verrek, verrot, verteer de regel (krijg) de kanker enzovoorts. Naar de functie van deze verwensingen met kanker hoeven wij niet lang te gissen. Zij drukken met een duizelingwekkende forte nietsontziende woede, haat, afkeer, walging e.d. uit en kunnen weergegeven worden met ‘sterf, val dood’. Een versterking van al deze gevoelens vinden wij in krijg de janrattenkanker!, die wij alleen voor Gouda optekenden.
Samenstellingen waarin kanker- als versterkend eerste element optreedt, zijn krijg de kankerteringtyfus! en krijg de kankertyfusteringpokkenpest! In de verwensingsformule krijg de …-kanker! of ze kunnen (voor mijn part) de …-kanker krijgen! komen de volgende samenstellingen voor: blaaskanker, blafkanker, bloedkanker, bombardementskanker, botkanker, c-kanker, eierkanker, flikkerkanker, gadsmeerkanker, grafkanker, hartklepkanker, herpesteringkanker, hoerenkanker, jankanker, keelkanker, klarinetkanker, knok, kutkanker, lulkanker, pokkenhoerenkanker, pokkenkanker, rattenkanker, reetsmeerkanker, rotkanker, syfiliskankerschijt, teelbalverkankering en teringkanker. Ook als eerste lid komt kanker- voor. Zo bijvoorbeeld in krijg de kankerebola! hartklep, klarinettyfus.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

kanker ‘ziekte’ -> Noord-Sotho kankere ‘ziekte’ ; Zuid-Sotho kankere ‘ziekte’ ; Indonesisch kanker ‘ziekte’; Kupang-Maleis kangker ‘ziekte’; Japans ganshu ‘ziekte, lett. rotsgezwel of kangezwel’; Chinees aizhong ‘ziekte’ ; Papiaments kanker ‘ziekte’; Surinaams-Javaans kangker ‘ziekte’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

kanker ziekte 1240 [Bern.] <Latijn

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut