Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

kanis - (vissersmandje)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

kanis zn. (NN) ‘hoofd, kop’
Nnl. kanes, kanis, kanus ‘scheldwoord voor een persoon’ in hy (heeft) immer als een Vuilkanus geleefd ‘als een zedeloos, ontuchtig persoon’ [ca. 1845; WNT vuil I], kanis ‘lichaam (pejoratief)’ [1871; WNT kanis III], zo'n kale kanes ‘zo'n kaal hoofd’ [1903; WNT kanis II], kanes ‘kop’ [1906; Boeventaal].
Herkomst onzeker. Mogelijk hetzelfde woord als kanis ‘mand, korf’ of ‘vissersmand’, mnl. canis ‘id.’ [1350-1400; MNW-R] en dan ontleend aan Latijn canistrum ‘rieten mandje’, van Grieks kánastron ‘id.’, afleiding van kánna ‘riet’, zie → kaneel.
De betekenisontwikkeling van ‘mand, korf’ naar ‘lichaam’ of ‘hoofd, kop’ is vergelijkbaar met die van → kop 1 ‘drinkgerei’ naar → kop 2 ‘hoofd’, van (verouderd) test ‘kom’ naar ‘hoofd’ en van bast ‘schors’ naar ‘lichaam’; de betekenis van inhoudsdragers verschuift gemakkelijk naar ‘lijf’ (Endt 1974).

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

kanis1 [vissersmandje] {canis [korf, mand] 1350} < latijn canistrum [uit riet gevlochten mandje] < grieks kanastron, van kanna [riet] (vgl. kanaal).

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

kanis 1 znw. v. ‘mandje van allerlei soort (Zaan, Antw.); blikken eetketeltje voor werkvolk’, mnl. canis ‘korf, mand’, zal wel een ontl. aan een romaanse taal zijn, vgl. prov. canitz ‘fuik’, katal. canyis ‘vlechtwerk voor het opkweken van zijdewormen’ < lat. cannicius ‘wat uit riet gemaakt is’.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

kanis v. (vischkorf), gaat wellicht terug op een Rom. *canisto, bijvorm van Lat. canistrum: z. kanaster.

Thematische woordenboeken

C.H.Ph. Meijer (1919), Woorden en uitdrukkingen verklaard door Dr. C. H. Ph. Meijer, Amsterdam

Kanis, rond mandje, met deksel, door visschers gebruikt; waarschijnlijk van een verbasterden vorm van het lat. canistrum, rieten korf, grie. kanastron van kanè = riet.
Dikwijls fig. voor hoofd om den ronden vorm. Brusse. Boefje 23: “Omdat zoo’n kale kanes lekker frisch is”; Querido, Jordaan 161: “Stijn krabde zich op zijn kanes.” In N.-Holl. zegt men: zijn kanis kraakt, als iemand oprispingen heeft of als een kind kraait (Bouman, Volkst. in N.-H.), waarbij dan bepaald aan het hoofd, of in ’t algemeen aan het lichaam kan gedacht worden. In samenstelling: smeerkanis, scheldwoord = zeerhoofd, kletskop.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut