Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

kangoeroe - (groot Australisch buideldier)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

kangoeroe zn. ‘groot Australisch buideldier’
Nnl. Kanguro [1774; WNT], kangoeroe [1856; WNT].
Ontleend aan Engels kangooroo ‘id.’ [1770; OED], kangaroo [1773; OED]. De naam werd in het Engels ingevoerd door de bioloog Joseph Banks, die meereisde op de ontdekkingsreis van James Cook rond Australië. Aan noordoostkust van Australië, waar hun schip strandde, werd de soort kangoeroe die daar leefde in de plaatselijke aboriginaltaal, het Guugu Yimidhirr gangurru ‘grote zwarte kangoeroe’ genoemd. De Engelsen generaliseerden kangaroo tot alle soorten kangoeroes die in Australië voorkwamen.
De nog steeds regelmatig gehoorde bewering dat het woord eigenlijk ‘ik weet het niet’ betekent, het antwoord dat inheemsen gaven op de vraag “wat is dat voor een beest?”, is een broodjeaapverhaal.
Al eerder dan de Engelsen beschreven de Hollandse ontdekkingsreizigers de kangoeroe als een Dier als een Haes, met groote lepels [1697; WNT].

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

kangoeroe [springhaas] {1774} < engels kangaroo; volgens getuigenis van de ontdekkingsreiziger James Cook een Australisch inheems woord.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

kangoeroe znw. m., eerst 1770 door Cook ontdekt aan de kust van Ν.Ζ. Wales en aangeduid met het Australische woord voor alle viervoetige dieren. — Zie ook boemerang, taboe en tatoeëren.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

kangoeroe znw. Internationaal woord, van australischen oorsprong.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

kangoeroe m., met het dier uit Australië.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

kangaroe s.nw.
Groot Australiese buideldier met kort voorpootjies, lang, sterk agterpote waarop dit voortspring en 'n lang, kragtige stert.
Uit Ndl. kangoeroe (1770) of, meer wsk., Eng. kangaroo (1773).
Ndl. kangoeroe en Eng. kangaroo uit Australiese Eng. kangaroo, met lg. wsk. uit een van die inheemse Australiese tale.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

kangaroe: bep. soorte springbuideldiere (WAT en ander bronne bring hulle tuis by die fam. v. d. Macropodidae); Ndl. kangoeroe uit Eng. (sedert 18e eeu) kangaroo (wsk. uit ’n Austr. inboorlingt.).

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

kangoeroe (Engels kangaroo)
Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

kangoeroe ‘buideldier’ -> Indonesisch kang(g)uru ‘buideldier’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

kangoeroe buideldier 1774 [WNT] <Engels

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut