Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

kaneel - (specerij uit de bast van de kaneelboom (Cinnamomum zeylanicum))

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

kaneel zn. ‘specerij uit de bast van de kaneelboom (Cinnamomum zeylanicum)’
Mnl. caneel ‘kaneelpoeder; pijpkaneel’, in viere pont kaneele ‘vier pond kaneelpoeder’ [1286; CG I, 1173] en ghepuluert caneel ‘gemalen kaneel’ [1287; CG II, Nat.Bl.D].
Ontleend aan Oudfrans canele [voor 1150; Rey] (Nieuwfrans cannelle), verkleinwoord van cane, canne ‘pijpje’, uit algemener ‘riet(stengel)’; dit is oorspr. een Provençaalse of Italiaanse vorm (in het Frans ontstaat klankwettig ch-), ontwikkeld uit Latijn canna ‘riet’, dat zelf ontleend is aan Grieks kánna ‘riet’; het Griekse woord is een Semitisch leenwoord, wrsch. uit Babylonisch-Assyrisch qanū ‘riet’, Soemerisch gin, verwant met Hebreeuws qānā en Arabisch qanāh ‘riet’.
Het Latijnse woord voor ‘kaneel’ was cinnamōmum, cinnamon en Grieks kinnámōmon, kínnamon, een Fenicisch leenwoord, verwant met Hebreeuws qinnāmōn ‘kaneel’; in de Neolatijnse wetenschappelijke taxonomie is Cinnamomum de naam voor een bomengeslacht waarvan de bekendste de kamferboom en de kaneelboom zijn. Het Frans heeft dit woord overgenomen als cinname of cinnamome in dezelfde betekenis, meer in het bijzonder als ‘kaneelboom’. In het Engels heeft cinnamon de betekenis ‘kaneel’ gekregen.
Zie → kanaal, → kanon, → kanunnik voor enkele andere woorden die op Latijn canna teruggaan; misschien ook → kan en → kanis.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

kaneel [specerij] {caneel, canel [riet, kaneel] 1276-1300} < frans cannelle [idem], verkleiningsvorm van canne [rietstengel] < latijn canna. Zo genoemd naar de stengelachtige gedroogde schors van de kaneelboom (vgl. kanaal).

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

kaneel znw. m. o., mnl. canêle, caneel, kneel ‘riet, kanaalpijp, kaneel’ < fra. canelle ‘kaneel(riet)’, verkleinwoord van lat. canna ‘riet’.

Mnl. caneel, canel m. bet. ‘buis, groeve, bedding’ en is afgeleid uit pikard. vorm van fra. chéneau ‘goot’ < lat. cannellus, eveneens een afl. van canna.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

kaneel (de, het), mnl. canêle, caneel, kneel (m.o.?) “riet, kaneelpijp, kaneel”. Evenals mhd. kanêl m. (nhd. kaneel), mnd. kaunêl m. “kaneel” uit fr. cannelle “kaneel (riet)”, een demin. van lat. canna “riet”. Voor een andere bet.ontwikkeling van een m. wisselvorm *cannellus zie bij kanaal.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

kaneel o., Mnl. canele, uit Fr. canelle, dimin. van canne = riet, uit Lat. canna: z. kanon.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

keniel (zn.) kaneel; Middelnederlands caneel <1286> < Frans canele.

G.J. van Wyk (2007), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Supplement, Stellenbosch

kaneel s.nw.
Welriekende, bruin spesery.
Uit Ndl. kaneel (al Mnl.).
Ndl. kaneel uit Fr. cannelle, die verkleinw. van canne 'rietstingel', met lg. uit Fr. canne uit Latyn canna, so genoem na die stingelagtige, gedroogde binnebas van die kaneelboom waaruit die speserypoeier berei word.

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

poe’derkaneel (de), kaneel in poedervorm. Desgewenst bestrooien met poederkaneel (S&S 207). - Etym.: Vermoedelijk in gebr. gekomen ter onderscheiding van ’pijpkaneel’ (rooskaneel*). - Zie ook: witte* kaneel.

roos’kaneel (de), pijpkaneel. De melk met de rooskaneel aan de kook brengen met het gestampte koren* (S&S 255, over de bereiding van karoebojo*). - Zie ook: poederkaneel*.

wit, (ook:) 1. naar verhouding licht van huidskleur, als gezegd van Creolen*, i.h.b. kinderen, met deze eigenschappen. Met de dokterskinderen speel ik niet. Het zijn evenals die van de gevangenisdirekteur, witte Creolen* (Ferrier 1968: 20). Dat witte kind van mij. - 2. ongekleurd, doorzichtig, helder (glas e.d.), Ik zag een prachtig betegeld zwembad met helder wit water (Vianen 1971: 55). Ik wil witte glazen in die bril.
: zie witte abia*.
—: witte bioscoop’ (de), (hist., omstreeks 1924) vertoning van opvoedkundige films. Een groep die onder invloed van de missie stond, begon toen met speciale voorstellingen van zgn. opvoedkundige films. Deze bioscoop, die al gauw de naam kreeg van ’witte bioscoop’, was geen lang leven beschoren () (Enc.Sur. 71). - Etym.: ’Wit’ zou hier kunnen staan in tegenstelling tot de inhoud van de gangbare films, die dan blijkbaar als ’zwart’ werd ervaren.
— : zie witte bolletrie*, bosgoejave*, cedor*, Chinese* poeder, fajalobi*, foengoe*, kabbes* (II).
—: witte kaneel’ (de), witte tot lichtgele pijpkaneel, die afkomstig is van een uitheemse boom (Canella alba, fam. Canellaceae). Bij zenuwaandoeningen wordt aan het aftreksel [van S blakatiki-menti] een stukje valeriaanwortel en wat witte kaneel toegevoegd (May 13). - Etym.: Zie de omschrijving; echte pijpkaneel is bruin en komt van de kaneelboom (Cinnamomum zeylanicum, Advocaatfamilie*). - Zie ook: rooskaneel*
— : wit(te) krapa*, lokus*, openkap*, panta*, parelhout*, pier*, pisi* (cit.), pritjari*, riemhout*, sabakoe*, sali*, sangrafoe*, savannegoejave*.
— : witte suiker (de), geraffineerde (dus witte) rietsuiker voor dagelijks gebruik. Zegels, Port’* Armes, paspoorten, rij- en voertuigenbelasting, water, electriciteit, grondbelasting, veertarieven, witte suiker, spijsolie* enz. zijn allemaal met 50 of meer procent omhoog gegaan (WS 18-12-1982). - Etym.: De toevoeging ’wit’ is nodig ter onderscheiding van ’bruine* suiker’ die ook dagelijks gebruikt wordt. SN w. s. is fijner dan AN ’suiker’ (gewone), d.i. een geraffineerde (witte) bietsuiker in grove kristalvorm. - Syn. broodsuker*.
— : zie wit(te)tajer*, tamarinde*, voetje*, Wanica*.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

kaneel: binnebasspesery v. bep. boom (spp. Cinnamomum, fam. Lauraceae, v. verder WAT); Ndl. kaneel (Mnl. canele/caneel/kneel, by vRieb caneel), Hd. kaneel, uit Fr. cannelle, dim. v. Lat. canna “riet”.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

kaneel (Frans cannelle)

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Kanon, van ’t Fr. canon, uit ’t It. cannone = loop van een geweer, uit ’t Lat. canna = riet, buis (holte). Vandaar ook: kanaal, kaneel.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

kaneel ‘specerij’ -> Duits dialect Kaneel, Kanel ‘specerij’; Deens kanel ‘specerij’ (uit Nederlands of Nederduits); Negerhollands kanēl, kaneel ‘specerij’; Papiaments kané ‘specerij’; Sranantongo kaneri ‘specerij’; Sarnami kaneri ‘specerij’; Creools-Engels (Maagdeneilanden) caneel ‘wilde kaneel’ .

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

kaneel specerij 1276-1300 [CG II1 Perch.] <Frans

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut