Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

kandidaat - (gegadigde voor een ambt of waardigheid)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

kandidaat zn. ‘gegadigde voor een ambt of waardigheid’
In de oudste vindplaatsen nog alleen in de Latijnse vorm candidatus ‘behaler van de laagste academische graad’ [1631; WNT klimmen], meervoud candidati [1632; WNT weten] en candidaten [1652; WNT Supp. alumnus]; een enkelvoud met Nederlandse uitgang verschijnt pas later: nnl. candidaet ‘behaler van de laagste academische graad’ [1717; Marin NF]. Ook in de algemenere betekenis ‘gegadigde voor een ambt of waardigheid’, bijv. voor een geestelijk ambt [1635; WNT proponeeren]), een wereldlijk ambt [1855-56; WNT], voor een functie in een vertegenwoordigend lichaam [1870; WNT tinnegieter], voor een examen [1900; WNT verhouding], voor de toewijzing van een woning [candidaten 1955; WNT Supp. atelier]. De spelling kandidaat [1785; WNT ridderschap] komt vanaf de 19e eeuw regelmatig voor, maar wordt pas gesanctioneerd door WL 1954.
De oudste, academische betekenis is aan het Neolatijn ontleend, zie onder. De algemenere betekenis ‘gegadigde voor een ambt of waardigheid’ is, al dan niet via Frans candidat ‘gegadigde voor een ambt of waardigheid’ [1546; Rey], eerder al ‘kandidaat voor een overheidsambt’ [1284; Rey], ontleend aan klassiek Latijn candidātus ‘kandidaat voor een overheidsambt in Rome’. De Romeinse kandidaten waren traditioneel gekleed in een toga candida ‘witte toga’, en het woord is dan ook een afleiding van candidus ‘glanzend wit’, afleiding van de stam cand- ‘stralen’, zie → kandelaber.
Alle latere betekenissen zijn toepassingen van de algemene en op het Latijn gebaseerde betekenis ‘dinger naar een ambt of waardigheid’; vele ervan komen ook voor in andere West-Europese talen, Duits Kandidat, Frans candidat, Engels candidate etc., maar in hoeverre zij in elk van deze talen autonoom zijn ontwikkeld of onderling zijn ontleend is niet na te gaan.
De academische graad van kandidaat, Neolatijn candidatus, is in het Franse onderwijs onbekend. Hij was alleen gebruikelijk aan Italiaanse, Duitse, Zweedse en Noord-Nederlandse universiteiten, waar hij in de loop van de 16e en 17e eeuw werd ingevoerd ter vervanging van de oudere graad → baccalaureaat. De naam is gebaseerd op het feit dat de kandidaat, hij die het kandidaatsexamen succesvol heeft doorstaan, in aanmerking kon komen voor het opleidingsniveau dat kon leiden tot de academische graad van doctor. Met de aanpassing van het Belgische onderwijssysteem aan Nederlands model in 1815 kwam kandidaat in deze betekenis ook in België in gebruik, en bleef dat ook na de onafhankelijkheid in 1830. In Nederland werd de titel in de jaren 1980 weer afgeschaft, en met de Europese aanpassing van de academische terminologie naar Angelsaksich model in de 21e eeuw ook in België.
kandideren ww. ‘(zich) kandidaat stellen’. Nnl. candideren ‘het kandidaatsexamen afleggen’ [1817; WNT Aanv.], ook overgankelijk ‘iemand als kandidaat voorstellen’ [1851; WNT Aanv.]. Afleiding van het zn. met het achtervoegsel → -eren.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

kandidaat [gegadigde] {1762-1784} < frans candidat [idem] < latijn candidatus [iem. die in het wit gekleed, d.w.z. in een witte toga, naar een publiek ambt dingt], van candidus [blinkend wit], van candēre [blinken] (vgl. kandelaar).

P.H. Schröder (1980), Van Aalmoes tot Zwijntjesjager, Baarn

candidaat

Wanneer een Romeins burger naar een openbaar ambt wilde dingen, moest hij zich eerst laten inschrijven op de lijst der sollicitanten. Nagegaan moest worden of hij verkiesbaar was en wanneer dat het geval was liet hij zijn toga wassen in krijtwater, zodat deze in plaats van geelachtig helder wit werd. Wit gold als de kleur van nederigheid en goede trouw. Het dragen van de toga Candida, de witte toga, was het bewijs dat men naar een publiek ambt dong. Van het woord candidus: wit, in de vrouwelijke vorm Candida, is afgeleid: candidatus: in het wit gekleed, dus: dingend naar een ambt. Dit is ons woord candidaat. Men duidt met dit woord hen aan die in aanmerking willen komen voor een ambt of betrekking. Het bekendst is de candidaat-notaris, maar men kent ook de candidaat tot de heilige dienst: de proponent die zich beroepbaar gesteld heeft als predikant. Een afgeleide betekenis is: iemand die zich aan een examen onderwerpt.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

candidaat znw. m. nieuwnl. < lat. candidātus ‘in het wit gekleed, zoals degenen, die in Rome naar een ambt dongen’, afgeleid van candidus ‘wit’.

kandidaat znw. m. ‘iemand die in aanmerking komt voor of dingt naar een ambt of betrekking’, oorspr. een woord voor jonge theologen, die een ambt zoeken en nog vroeger voor degeen die een academische graad wil verwerven. Het woord stamt < lat. candidātus, waarmee in Rome degenen werden aangeduid, die naar een ambt dongen, omdat zij zich daarbij in de toga candida of witte toga kleedden.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

candidaat znw. Nnl. naar lat. candidâtus ‘in het wit gekleed, iemand die naar een ambt dingt’. In Rome droeg iemand, die naar een ambt dong, een witte toga. Het woord is in het Ndl., evenals in andere talen, opgekomen in universitaire kringen.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

kandidaat (Latijn candidatus)

T. Pluim (1922), Wetenswaardig allerlei: bijdragen tot algemeene kennis voor studeerenden bijeenverzameld door T. Pluim, Groningen

Candidaat (Lat.: candidatus = in het wit gekleed). Wanneer bij de Romeinen iemand naar een staatsambt dong, kleedde hij zich in een helderwit gewaad (“toga candida”) en ging daarmee bij de kiezers rond om hun stemmen te verwerven. Vandaar dat wij iemand, die naar een ambt dingt of zich voor een examen opgeeft, nog altijd candidaat heeten. Een candidaat-notaris bijv. heeft wel het vereischte examen afgelegd, maar wacht nog op een plaats. Evenzoo is een candidaat tot den H. Dienst bevoegd om als predikant beroepen te worden.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

kandidaat ‘gegadigde’ -> Indonesisch kandidat ‘gegadigde’; Negerhollands kandidat ‘gegadigde’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

kandidaat gegadigde 1652 [WNT alumnus Suppl] <Frans

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut