Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

kanaliseren - (tot een kanaal maken)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

kanaal zn. ‘buis; gegraven waterweg’
Mnl. kanel, kaneel, kaniel ‘waterloop’ in want si es der kaniel dar der leuende borne dore vloet ‘want zij (Maria) is het kanaal waar het water des levens doorheen vloeit’ [1290-1310; MNW-P], dan ook met -a(e)- canael ‘watergoot of -buis’ [1477; Teuth.], alse canalen ende watergoten ‘als kanalen of watergoten’ [1469; MNW-P]; vnnl. kanaal ‘kunstmatige waterweg (gracht, vaart, sloot e.d.)’ [1564; WNT], ‘zeestraat’ [1598; WNT], overdrachtelijk ‘middel om iets ergens te doen komen’ [1629; WNT], ook ‘buisvormig deel in dierlijk of plantaardig lichaam’ [1689; WNT peristaltiek II]; nnl. kanaal ‘afvalwatergoot, riool’ [1740; WNT], ‘groef in een hard oppervlak (in de architectuur)’ [1740; WNT], ‘middel om kennis te vergaren’ [1771; WNT], ‘elektromagnetische frequentieband voor radio en tv’ [1953; WNT dragen].
Mnl. kanel etc. is ontleend aan de Picardische variant canel ‘waterloop, vaargeul’ van Oudfrans chanel ‘id.’ [ca. 1225; Rey] (Nieuwfrans chenal), uit Latijn canālis ‘geul, goot, waterleiding’, afgeleid van canna ‘riet’, zie → kaneel. De jongere vorm kanaal is rechtstreeks ontleend aan het Latijn en/of aan Frans canal ‘geleide waterloop’ [voor 1150; Rey].
Al in het klassiek Latijn komen, naast de oorspronkelijke, diverse afgeleide betekenissen voor, zoals in de natuurtechniek, de anatomie en de architectuur, en bij Plinius ook al de overdrachtelijke betekenis ‘middel om iets ergens te doen komen’. In het hedendaagse Nederlandse taalgebruik is ‘kunstmatig aangelegde waterweg’ de algemene betekenis van kanaal, alle andere betekenissen blijken uit de context of komen vooral voor in samenstellingen. De moderne betekenis ‘frequentieband voor radio en tv’ is ontleend, wrsch. aan Engels channel ‘id.’ [1928; OED].
kanaliseren ww. ‘tot een kanaal maken’. Nnl. kanaliseren ‘een natuurlijke waterloop zodanig kunstmatig aanpassen dat deze beter bevaarbaar wordt en/of beter afwatert’, bijv. in het gekanaliseerde IJ [1871; WNT], eerder al de afleiding kanalisering [1864; WNT]. Afleiding van het zn. Tegenwoordig ook vaak overdrachtelijk ‘in de juiste banen leiden’ [1984; van Dale], ‘beheersen, sturen’.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut