Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

kan - (pot)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

kan zn. ‘vaatwerk waaruit men vloeistoffen schenkt’
Mnl. canne, kanne in kannen daer men prosente mede dede ‘kannen waar men als beloning (wijn) mee schonk’ [1284; CG I, 779].
Herkomst onzeker. Wrsch. een vroege ontlening aan Laatlatijn canna ‘kan’ [6e eeuw; ODEE], dat wellicht hetzelfde woord is als klassiek Latijn canna ‘riet; rieten pijp’, zie → kaneel, dat dan een betekenisontwikkeling van ‘rieten pijp’ via ‘tuit’ naar ‘kan met tuit’ doorgemaakt zou moeten hebben (Frings). Voor deze hypothese bestaat echter geen schriftelijk bewijsmateriaal. Het woord is in het Oudfrans en Oudprovençaals nog wel geattesteerd, maar is verder uitsluitend Germaans, een sterke aanwijzing dat de ontleningsrichting omgekeerd is, dus uit het Germaans in het Laatlatijn. Een aannemelijke Germaanse etymologie is echter op geen enkele manier te geven en aanknopingspunten buiten het Germaans ontbreken eveneens.
Os. kanna; ohd. channa (nhd. Kanne); oe. canne (ne. can [14e eeuw]); on. kanna (nzw. kanna); < pgm. *kannō- (v.).
Lit.: Frings 1966, 121-122; Frings 1968, 151-153

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

kan1* [pot] {canne 1285} oudsaksisch, oudnoors kanna, oudhoogduits channa, oudengels canne; verwant met kaan2 [bootje]; etymologie onzeker.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

kan znw. v., mnl. canne, os. kanna, ohd. channa (nhd. kanne), oe. canne (ne. can), on. kanna. — Formeel te vergelijken miers gann (< *gandhn) ‘vat, beker’ (Lidén BB 21, 1895, 109), maar wat vrij onzeker is. IEW 351 stelt een idg. wt. *gan(dh) op, waarmee hij dan verbindt on. kani ‘schotel’, nijsl. kani ‘klein stuk vaatwerk van hout’, nnoorw. dial. kane ‘schotel met twee oren’, nzw. dial. kana, nde. kane ‘slede’ en verder on. kæna ‘bootje’ (alleen in een þula). Dan zou germ. *kannō op idg. *gandhnā teruggaan. Een volkomen hypothetische constructie.

Andere verklaringen uit het germaans zijn niet gelukkiger, zoals die uit een grondvorm *kaznōn, waardoor aanknoping met de groep van *kaza (zie: kaar) gewonnen wordt. — Heinertz PBB 41, 1916, 492 wil weer uitgaan van een wt. *gen ‘splijten, scheuren, krassen’ (ad hoc geconstrueerd) naast *(s)ken. Deze onbevredigende etymologieën deden Hellquist 441 vragen, of het niet een zwerfwoord was uit een onbekende bron. — Indien dan een woord van elders ontleend, dan verdient nog de afleiding uit lat. canna ‘riet, pijp’ het meest de overweging. Frings, Germ. Rom. 129-130 wijst daarvoor op de kannen met tuiten, die de Romeinen importeerden en die goede aftrek vonden. De overgang van ‘rieten pijp’ > ‘tuit’ > ‘kan met tuit’ > ‘kan, schaal in het algemeen’, tracht hij te steunen door ohd. chanta, canneta, kannite, channatun < ôlla cannāta ‘pot met pijp om uit te gieten’.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

kan znw., mnl. canne v. = ohd. channa (nhd. kanne), os. kanna, ags. canne (eng. can), on. kanna v. “kan”. Wsch. een ospr. germ. woord, de afl. uit lat. cantharus (gr. kántharos) “kan” is niet wsch.; men denkt aan een grondvorm *kazna-, verwant met kaar: maar met ’t oog op ’t synonieme ohd. chanta v. (nhd. dial. kante) gaan sommigen liever van een germ. kan- uit. Met dit kan-, dat ook in mnd. kāne m. (nhd. kahn o.) “bootje”, de. kane, zw. dial. kana “een soort slede” kan steken (met ablaut on. kæ̂na v. “een soort boot”), combineert men wel ier. gann “kan”, dat trouwens ook nn uit sn kan hebben. Uit het Germ. mlat. canna “kan” (fr. cannette).

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

kan. Het is beter de grondvorm *kaznô(n)- (niet *kazna-) op te geven. Vóór *kan- en verwantschap met mnd. kāne (> nhd. kahn m.; niet o.) enz. pleit, dat woorden voor ‘schip’, vaak verwant of identisch zijn met andere, die ‘kan, vat, bak’ betekenen; vgl. schip en hulk. Zie Heinertz PBB. 41, 492. Verdere combinatie met de groep van kin (Loewenthal WuS. 10, 184 en Güntert WuS. 11, 129) is te vaag. — Niet overtuigend is de afl. van kan uit lat. canna ‘riet’ (de benaming voor de ‘tuit’ zou op het gehele voorwerp zijn overgegaan), waarvoor Frings Germ. Rom. 129 vlg. het weer opneemt.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

kan v. (vaatwerk), Mnl. canne, Os. kanna + Ohd. kanna (Mhd. en Nhd. kanne), Ags. canne (Eng. can), On. kanna (Zw. id., De. kande): wellicht bij kaan 4Mlat. canna (Fr. cannette) komt uit Germ.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

kan (de, -nen), (ook:) 1. kroes, mok; beker. Een brood* van vijf/ één cent boter/ en een kan suikerwater/ voor het ontbijt (Dobru 1968d: 12). - 2. (conserven)blik. Hieruit blijkt m.i. voldoende, dat wij er voorlopig niet aan kunnen denken bier in kannetjes op de markt te brengen (de West 3-4-1981). - 3. liter. - Etym.: Vgl. veroud. AN k. = o.m. (a) drinkgerei met een deksel, (b) liter. E can (i.h.b. in Am.) = o.m. (conserven)blik. - Samenst. van 1 o.a. theekan (Barron 1981a: 84), van 2 quaker* oatskan, zalmkan*.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

kan I: (gew.) metaalhouer v. vloeistof (WAT s.v. kan1); Ndl. kan (Mnl. canne), Hd. kanne, Eng. can, verw. buitekant Germ. onseker, mntl. ’n ontln. aan Lat. canna, “rietpyp” (wat in vroeë tye as voghouer gedien het).

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

kan ‘pot’ -> Ests kann ‘pot’ (uit Nederlands of Duits); Zuid-Afrikaans-Engels can ‘wijnhouder, wijnmaat, vooral: tweeliterfles’ ; Zoeloe kani ‘waterkan’ (uit Nederlands of Engels); Indonesisch kang ‘waterkan om mee te baden’; Ambons-Maleis kana ‘kruik’; Jakartaans-Maleis kan ‘ketel; theekan’; Javaans kan ‘aardewerken pot (thee)’; Madoerees ēkkan, kan ‘koffiekan, trekpot’; Menadonees kana ‘kruik’; Rotinees kan, kas ‘pot’; Ternataans-Maleis kan ‘kruik’; Creools-Portugees (Batavia) kaan, kan ‘pot’; Japans kan ‘pot’; Mahican kánnisch ‘kruik’; Sranantongo kan ‘kruik, schenkkan, pot’; Arowaks kâna, kána ‘pot’ .

kan ‘inhoudsmaat voor natte stoffen’ -> Deens kan ‘inhoudsmaat van één liter’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

kan* pot 1285 [CG I2, 1020]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

1067. Die het onderste uit de kan wil hebben, krijgt het deksel (of het lid) op den neus,

d.w.z. wie al te begeerig is, krijgt niets.Vgl. Reyn. II, 6356: Diet al wil hebben, het valt bi tiden dat hi van allen missen moet, al te ghierich en was nie goet. - ‘Die al wil hebben en sal niet hebben’ (Prov. Comm. 270); hd. wer zu viel haben will dem wird zu wenig. ‘Dit is genomen van de oude gewoonte van drinken uit tinne kannen, waar op een dekzel was. Als men die kannen te hoog oplichte, om ze schoon uit te vagen, dan viel dat lid den drinker wel op den neus. Dit eigent men toe op zulke, welken de begeerte van alles te hebben, wel qualyk bekomt’ (Tuinman II, 52). In de 17de eeuw vinden we de uitdr. bij Jan Vos in de Klucht v. Oene, 264; vgl. verder C. Wildsch. IV, 33; Tuinman I, 104; Sewel, 376; 451: Die 't onderste uit de kan wil hebben, krygt het lid op de neus, he that will have the utmost gets nothing; V. Janus I, 170; Ndl. Wdb. VIII, 2027; Bergsma, 9: Die 't aal (al) hebben wilt, valt 't lid op de neus. Ook in het Nederduitsch is zij zeer gewoon; zie Taalgids IV, 263; Eckart, 245; Wander II, 1130; Ten Doornk. Koolman II, 168; in het Friesch luidt zij: Dy 't onderste ut 'e kanne ha wol, krijt it lid op 'e noas; vgl. voor Zuid-Nederland Waasch Idiot. 457 b: 't Scheel valt op zijnen neus, hij mist zijn doel; Antw. Idiot. 1916: Die den lesten druppel uit den pot wilt hebben, krijgt het scheel op zijnen neus, al te begeerlijk vangt niet.(Aanv.) lid beteekent hier eveneens deksel; vgl. ooglid.

2573. Als de wijn is in den man, is de wijsheid in de kan.

De waarheid in deze woorden vervat, wordt in de Prov. Comm. 3 uitgedrukt door: als die dranc comt, so is die reden wt, waarvoor we bij Spieghel, 227 vinden: als de wijn inghaat, zoo ghaat de wijsheid uyt; Cats I, 473: als de wijn ingaet, soo gaet de wijsheit uyt; De Brune, 170:

 Daer de wijn gaet in de huyd,
 Daer gaet al de wijsheyd uyt.
 Daer de wyn gaet in de man,
 Gaet de wijsheyd in de kan.

Zie vooral Bebel, no. 442 en vgl. verder Tuinman I, 120; nal. 19; Sewel, 971; Harreb. I, 378 b; II, 461 a; Antw. Idiot. 1443; Wander V, 110; 114; nd. is dat Bêr in 'n Manne, is de Gêst in 'r Kanne (Eckart, 51); is t bêr ut de kan', is d' ferstand ut de man (Ten Doornk. Koolm. II, 570); hd. Wein ein, Witz aus; eng. when wine is in, wit is out; fr. quand le vin entre dans le corps, le jugement s'en va dehors.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut