Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

kamp - (legerplaats voor soldaten; gezamenlijke aanhangers; verblijf in het open veld)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

kamp 3 zn. ‘akker’
Onl. in Ca[m]pthorpa ‘Camperduin (Noord-Holland)’, letterlijk ‘akkerdorp’ [918-48, kopie eind 11e eeuw; Künzel]; mnl. camp ‘akker, veld, omheind stuk grond’ in Poys .ii. campe licghen biden marlediic ‘de twee akkers van Poi liggen bij de Mareldijk’ [1280-87; CG I, 508].
Oude ontlening aan Latijn campus in de betekenis ‘veld’, zie → kamp 1. De verspreiding van kamp ‘akker’ lijkt beperkt te zijn tot het Noord-Nederlandse en Nederduitse taalgebied, waarbij zich van west naar oost een betekenisbeperking voltrok van algemener ‘(onbebouwd) veld’, oorspr. tegenover ager ‘akker’, tot ‘afgegrensd stuk akkerland’, een overgang die samenging met het ontginnen van nieuwe akkerbouwgebieden.
Ook os. kamp ‘akker, veld’ (mnd. kamp, waaruit later nhd. Kamp); ofri. kamp (nfri. kamp).
Lit.: Frings 1966, 168-169; Frings 1968, 147-148

kamp 1 zn. ‘legerplaats voor soldaten; gezamenlijke aanhangers; verblijf in het open veld’
Vnnl. camp, kamp ‘verblijfplaats van een leger buiten de eigen thuisbasis, dus bijv. in het open veld’ [1573; Thes.]; nnl. kamp ook ‘gezamenlijke aanhangers’ [1854; WNT], ‘tijdelijk verblijf in open veld’ [1894; WNT].
Ontleend aan Frans camp ‘terrein waarop een leger zich vestigt’ [eind 15e eeuw; Rey], dat teruggaat op Latijn campus ‘open veld; slagveld’, vooral geassocieerd met Campus Martius ‘het Marsveld’, een vlakte in Rome aan de Tiber die o.a. gebruikt werd als exercitieterrein. De verdere herkomst van het Latijnse woord campus is onbekend. De tussenliggende ontwikkeling is onzeker. De klankwettige Franse vorm is champ ‘veld, akker’, een woord waarbij de militaire betekenis ‘legerplaats’ nooit is aangetroffen, men moet dus ontlening aan Picardisch of Provençaals camp of Italiaans campo veronderstellen. De auteur van de oudste Franse tekst met camp was Picardisch, en in die periode (15e eeuw) was juist Noord-Frankrijk het toneel van diverse oorlogen; maar in het Provençaals kwam camp al eerder voor. Ondanks de vroege attestatie lijkt Italiaans campo [voor 1292; DEDLI] als bron voor dit militaire begrip het minst wrsch., omdat de Italiaanse oorlogen in Frankrijk pas in 1494 begonnen.
Wrsch. is Latijn campus afkomstig uit een inheemse Italische taal, oorspr. betekenis ‘vlakte’. Anderen veronderstellen verwantschap met Grieks kampḗ ‘bocht’ en Litouws kampas ‘hoek’ (IEW 525), wat niet erg wrsch. is.
Voor eerdere ontleningen van hetzelfde Latijnse woord, zie → kamp 2 en → kamp 3. Hoewel het Nederlandse woord kamp ‘verblijfplaats voor een leger’ al in de 16e eeuw door woordenboeken vermeld wordt, is het in het tekstcorpus van het WNT nog tot en met de 18e eeuw een zeldzaam woord. Het gewone woord voor de betekenis ‘verblijfplaats van een leger’ was tot die tijd → leger, zoals ook Duits Lager.
De overige, moderne betekenissen van kamp zijn alle ontleend: enerzijds aan die van Frans camp in de via ‘legerafdeling in een kamp’ ontwikkelde betekenis ‘groep bijeenhorende personen die ergens tegen strijden (bijv. in de politiek)’ [1813; Rey]; anderzijds wrsch. aan die van Engels camp, dat uit ‘legerplaats voor soldaten’ [1528; OED] al vroeg de betekenissen ontwikkelde van ‘tijdelijk verblijf in tenten of andere verplaatsbare of geïmproviseerde onderkomens e.d.’ [1560; OED] en later ook algemener ‘tijdelijk(e) verblijf(plaats) elders’. Toepassingen van deze laatste betekenissen vindt men in samenstellingen als vakantiekamp [1908; WNT] (Engels holiday camp [1870; OED]), strafkamp [1946; WNT] (prison camp [1925; OED]), concentratiekamp, zie → concentratie, enz. Als de context duidelijk is, worden deze woorden ook wel verkort tot het simplex kamp, bijv. in de kinderen gaan op kamp.
kamperen ww. ‘in het open veld verblijven’. Vnnl. camperen ‘een legerplaats opzetten of daar verblijven’ [1599; Kil.], ook algemener ‘in tenten e.d. in het open veld verblijven’ [1688; WNT]. Ontleend aan Frans camper, afleiding van camp. Zie ook → camping.

kamp 2 zn. ‘strijd’
Mnl. camp ‘tweestrijd’ [1240; Bern.].
Ontleend aan Latijn campus ‘strijdperk, slagveld, speelveld, sportveld’, zie → kamp 1, met latere betekenisontwikkeling tot ‘tweestrijd, duel’, parallel aan middeleeuws Latijn campus ‘strijd’.
Ook: mnd. kamp; ohd. kamph ‘strijd’ (mhd. kampf, nhd. Kampf), dus ontleend voor de Hoogduitse klankverschuiving; ofri. camp (nfri. kamp); oe. camp (ne. vero. camp); on. kapp (met assimilatie mp > pp; nijsl. en nno. kapp, nzw. i kapp ‘om het hardst’); < pgm. *kampa-. Hiervan afgeleid het zn. pgm. *kamp-ja-, waaruit mnl. kempe ‘vechter, strijder’; os. kempio (mnd. kempe > nzw. kämpe); ohd. kempho, kemphio (mhd. kempfe, maar nhd. Kämpe [18e eeuw; Pfeifer] < mnd.); ofri. kampa, kempa; oe. cempa [ca. 700; OED]; on. kappi, alle ‘strijder, vechter’; en zie ook → kampioen. Ook afgeleid van *kampa- het ww. pgm. *kampōn-, waaruit mnl. kampen (zie hieronder); nfri. kampe, kampje; oe. campian (ne. vero. camp); met ander vocalisme, hetzij uit pgm. *kampjan-, hetzij als afleiding van het zn.*kamp-ja-: mnl. kempen; mnd. kempen; ohd. kemphen (mhd. kempfen, nhd. kämpfen); ofri. kempa, kampa; nzw. kämpa; alle ‘strijden, vechten, een al dan niet gerechtelijke tweekamp voeren’.
In het Middelnederlands was camp het gewone woord voor zowel een fysieke als een gerechtelijke strijd, hetzelfde geldt voor de oude taalfasen van de andere Germaanse talen. De betekenis ‘gerechtelijke strijd’ is kenmerkend voor het Germaanse taalgebied. Kamp ‘strijd’ is tegenwoordig minder gewoon dan het synoniem strijd, wedstrijd, het is nog wel gebruikelijk in samenstellingen als tweekamp, zeskamp, meerkamp.
kampen ww. ‘strijden; te lijden hebben’. Mnl. campen ‘een tweestrijd met iemand voeren’ [1299; MNW], ook kempen ‘id.’ [1481-83; MNW]; vnnl. kampen, kempen ‘strijden, vechten’ [1599; Kil.], ook met een zaak als tegenstander, in die met sijn noodt-lot kampt ‘die zich verzet tegen zijn noodlot’ [ca. 1626; WNT]; nnl. vooral in de vaste verbinding te kampen hebben met iets of iemand ‘daar tegenstand of belemmering van ondervinden’, in men heeft, op de baan der deugd, met groote hindernissen te kampen [1799; WNT zamelen]. Afleiding van het zn. kamp; de vorm kempen staat gezien de datering wrsch. onder invloed van mnl. kempe ‘strijder’ met umlauts-e. ♦ kemphaan zn. ‘bepaalde weidevogel (Philomachus pugnax); strijdlustig persoon’. Vnnl. camp-hanen (mv.) ‘zekere vogels’ [1608; WNT kamphaan], kemphanen ‘id.’ [1641; WNT]; nnl. kemphaantje ‘ruziezoeker’ [1710; WNT]. Gevormd uit de stam van het werkwoord kampen/kempen en → haan ‘mannelijke vogel’, naar de schijngevechten die de mannetjes van deze vogelsoort in het voorjaar met elkaar voeren. Het woord kwam in het verleden ook wel voor als benaming voor ‘vechthaan (in hanengevechten)’. Ouder is overigens al de benaming kemperkens (mv.) [1599-1603; Eigenhuis 2004]. Ook in andere talen wordt deze vogel vernoemd naar zijn vechtlust: de wetenschappelijke naam is gebaseerd op de Griekse en Latijnse woorden voor ‘strijdlustig’, verder bijv. Zweeds brushane, letterlijk ‘drifthaan’, Frans chevalier combattant, letterlijk ‘strijdende ridder’, Pools batalion, letterlijk ‘bataljon’.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

kamp [legerplaats, strijd] {in de plaatsnaam Coloscampum, nu Koolskamp (W.-Vl.) <847>, camp [strijd] 1201-1250, camp [legerplaats] 1280-1288} < frans camp [idem] < latijn campus [het vlakke veld], verwant met grieks kamptein [buigen]; de Campus Martius, een aan Mars gewijd groot veld in Rome, werd veel gebruikt voor sport en exercitie, vanwaar de betekenis ‘strijd’ (vgl. kampioen, zambo).

P.H. Schröder (1980), Van Aalmoes tot Zwijntjesjager, Baarn

kamp

Het Latijnse woord campus, waaraan via het Oud-franse camp ons woord kamp is ontleend, betekende: veld, vlakte en vandaar: bebouwd veld, akker. In namen als Koekamp en Kampen leeft deze betekenis nog voort. Maar campus betekende ook: worstelperk, strijdperk en vandaar dat kamp is gaan betekenen: strijd. Ook de samenstelling kampstrijd komt voor. Afgeleid van kamp is kampioen, dat eigenlijk betekent: hij die bij een gerechtelijk tweegevecht de plaats inneemt van de man of vrouw die tot de wapenhandel onbevoegd of onbekwaam is. Vandaar is kampioen: hij die voor een ander in het krijt treedt (de kampioen der verdrukten) en tenslotte pas: hij die in een bepaalde tak van sport de beste is.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

kamp 1 znw. m. ‘afgepaald stuk land’, mnl. camp ‘afgeperkt stuk land, veld’ (vooral Noordnl.), os., mnd., owfri. kamp. — < lat. campus ‘veld’. De ontlening geschiedde reeds in de Romeinse tijd en wel in een gebied langs de Rijn van de zee tot aan de noordelijke Rijnprovincie en vandaar uitstralend naar het Nederduitse gebied (Frings, Rom.-Germ. 183-4). Bij de overname treedt een beperking op van de algem. bet. ‘veld’ tot die van ‘afgegrensd en omheind akkerland’.

kamp 3 znw. o. ‘legerplaats’, sedert Kiliaen < fra. camp ‘legerplaats’ < lat. campus, dat reeds ‘slagveld, oefenplaats’ was gaan betekenen.

kamp 4 in de uitdr. het bleef kamp ‘de strijd bleef onbeslist’, eig. de toestand van strijd bleef bestaan, daar geen beslissing verkregen was. Vandaar ook ‘gelijk, quitte’.

kamp 2 znw. m., mnl. camp ‘strijd’, vooral ‘gerechtelijke tweestrijd’, mnd. kamp ‘id.’, ohd. champf ‘strijd’, ofri. komp ‘gevecht, gerechtelijke tweekamp’, oe. comp ‘strijd’, on. kapp o. ‘ijver, wedstrijd, wedkamp’. — Reeds in het Latijn had campus de bet. ‘slagveld’ gekregen; de Germanen aan de Rijn hebben het woord in deze zin dus reeds kunnen overnemen. Maar de bet. ‘gerechtelijke tweekamp’ wijst op een zuiver Germaanse bet. ontw.: de kamp was dan het afgeperkte, omhazelde terrein, waarop de tweekamp plaatsvond. Die bet. moet reeds zeer vroeg zijn opgetreden, want het woord drong in het Noordgermaans, waar het nog de overgang van mp > pp kon meemaken.

Hiervan zijn afgeleid 1. het ww. kampen, mnl. kempen (vgl. kemphaan) naast campen ‘een gerechtelijke tweestrijd voeren; vechten’, mnd. kempen, ohd. chemfan, chamfan ‘strijden’, ofri. kempa, kampa, kampia, kompia ‘een gerechtelijke tweekamp voeren; vechten’, en 2. het znw. mnl. kempe (eenmaal campe) ‘kampvechter, voorvechter, vechter’, os. kempio, mnd. kempe, kampe, ohd. chempfo, ofri. kempa, kampa, oe. cempa, on. kappi ‘kampvechter; vechter’. Het is duidelijk, dat ook hier het begrip van de gerechtelijke tweekamp het uitgangspunt geweest is zowel van het ww. als van het znw. — Zie nog: kampioen.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

kamp III (legerplaats) znw. o., sedert Kil. Evenals eng. camp “legerplaats” ontl. uit fr. camp, dat weer uit lat. campus ontleend is.

kamp IV (onbeslist, quitte), nog niet bij Kil. Ontstaan uit kamp II in uitdrr. als het bleef kamp, eigenlijk “het bleef een (onbesliste) strijd”. Ook oostfri. fri. kamp wordt evenals ndl. kamp als bijw. resp. bnw. gebruikt.

kamp I (stuk. land), mnl. (vooral noord-ndl.) camp m. “afgeperkt stuk land, veld”. = os. kamp (in de samenst. kirsecamp 1083), mnd. kamp m. “afgeperkt stuk land”, owfri. kamp “id.”. Ontl. uit lat. campus “veld, stuk land”. Hierop gaat volgens de meest verbreide opinie ook terug kamp II (strijd), mnl. camp m. “strijd”, vooral “gerechtelijke tweekamp”, ohd. (zeldzaam) champf m. “strijd” (nhd. kampf), mnd. kamp m. o. “id., gerechtelijke tweekamp”, ofri. komp m. “id.”, ags. comp m. “strijd”, on. kapp o. “ijver”; wij moeten dan van campus in de bet. “slagveld, veld waar gestreden wordt” uitgaan. Vooral met ’t oog op on. kapp mag deze verklaring niet als zeker gelden, maar een betere is niet gegeven. Hierbij de afll. mnl. kempen (nog in kemphaan) en campen “strijden, een gerechtelijk en kamp voeren” (nnl. kampen) = ohd. chemfan, chamfan “strijden” (nhd. kämpfen), mnd. kempen “id.”, ofri. kempa, kampa, kampia, kompia “id., een gerechtelijken kamp voeren”, ags. compian “strijden”, on. keppa “al zijn krachten inspannen”, en het znw. mnl. kempe (eenmaal campe) m. “kampioen, strijder”, ohd. chempfo, os. kempio (mnd. kempe, kampe), ofri. kempa, kampa, ags. cempa m. “id.”. Dit laatste woord bestaat ook in de rom. talen: mlat. campio, fr. champion, waaruit eng. champion “kampioen”; uit een pic. dialectvorm mnl. campioen m. (nnl. kampioen).

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

kamp 1 m. en o. (veld, strijd, legerkamp), uit Mlat. campum (-us) (van waar Fr. camp en champ) = veld, strijdperk, gevecht, legerplaats; het is met uitbreiding der bet. het Lat. campus = veld (z. hof). Er zijn zooveel ontleeningen geweest, en men heeft dus met zooveel woorden te doen, als er bet. zijn.

kamp 2 bijv.(onbeslist, van weerszijden gelijk), is het zelfst.nw. kamp = strijd.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

kamp (het, -en), kampje (het, -s), (ook:) 1. huis, gebouwd op de traditionele wijze, van Indianen of Bosnegers*; hut. De kampen in het dorp [van Indianen] stonden kriskras door elkaar (Cirino 2: 13). - 2. tijdelijke en meestal provisorische hut, meestal bestaande uit slechts een dak op palen. De eerste avond wandelden George en ik naar het kampje van de arbeiders van de Geologische Mijnbouwkundige Dienst (de Klerk 53). De mannen onder* het kamp begonnen de touwen van hun drums strak te zetten en de vrouwen schraapten hun keel (Bradley 1975: 40). - 3. (verouderend) dorp van Indianen of Bosnegers*. Van hier gingen wij nu al opwaarts in heet zand klimmende naar een kamp () van Caraïbische Indianen, welk kamp uit ongeveer 50 à 60 zielen bestond () (Teenstra 1835 II: 143; oudste vindpl.). - Etym.: AN kamp = o.m. tijdelijk onderkomen buiten de bewoonde wereld. Oudste vindpl. van 2 Kappler 1854: 59. S kampoe = bet. 1, 2 en 3. - Opm.: Bij bet. 2 hoort men, in verband met het karakter van het bouwseltje, vaak ’onder’* i.p.v. ’in’; zie het cit. van Bradley. Samenst. van 2: boskamp(je)*, danskamp*, jachtkamp*, viskamp*; van 3 wegloperskamp*.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

kamp I: “omheinde stuk veld; saamtrekplek v. mense in die veld”, ens. (WAT s.v. kamp1); Ndl. kamp (Mnl. camp), ’n vroeë en veral WGerm. ontln. aan Lat. campus, “veld”; i.v.m. universiteitsterrein gew. campus geskryf.

kamp II: “geveg, stryd; wedstryd” (WAT s.v. kamp2); Ndl. kamp (Mnl. camp, “stryd”), soos kamp I uit Lat. campus, “slagveld”, maar nou in bet. “geregtelike stryd binne afgeperkte ruimte” deurgedring, nie alleen tot WGerm. nie, dog ook tot NGerm., vgl. kampioen en kemphaan.

Thematische woordenboeken

G. van Berkel & K. Samplonius (2018), Nederlandse plaatsnamen verklaard

kamp 'afgeperkt stuk land'
Ten grondslag ligt lat. campus 'vlakte, open veld', een leenwoord uit de Romeinse tijd. De verspreiding van kamp in de betekenis 'akker' beperkt zich tot het Nederlandse en Nederduitse taalgebied, met een betekenisontwikkeling van 'open veld' tot 'afgeperkt stuk land'. Een kamp kan dus zowel een akker als weiland aanduiden, gekenmerkt door individueel gebruik. De oudste attestaties in toponiemen zijn: 918-948 kopie 11e eeuw in Ca(m)pthorpa (→ Camperduin) en 976 Campan (Kampen, ligging onbekend, bij Wissekerke, Zeeland). In veldnamen doorgaans gebruikt ter aanduiding van individuele, blokvormige ontginningen, vaak met bewoning op de kavel, die is omgeven door heggen of houtwallen. Het zogenaamde kampenlandschap is de aanduiding van streken met een kleinschalig besloten landschap, waar geen grote aaneengesloten stukken akkerland aanwezig zijn. Hier ontstond een verspreid nederzettingspatroon met gemengde bedrijfsvoering (de lagere zandgronden in de Achterhoek, de Gelderse Vallei, Salland en plaatselijk in Noord-Brabant). In landschappen met essen zijn de kampen vaak aan de periferie van de oude enken of essen te vinden en getuigen zij van particuliere ontginningsactiviteit1. Op de Kempen beschermde men de akkers met wallen tegen zandverstuivingen2. In Oost-Nederland vertonen enkele namen de ontwikkeling van -ingahem tot -kamp, zoals → Breklenkamp, → Denekamp en → Greffelkamp.
Lit. 1Tinneveld e.a. 1973 49, 2Vierlingh 24.

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

kamp ‘stuk land, strijd’ (Latijn campus); ‘legerplaats’ (Picardisch camp)

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Kamp (gevecht) van ’t Lat. campus = veld, ook slagveld; strijdplaats der zwaardvechters; vandaar dat kamp oorspr. tweegevecht bet.; later elk gevecht. Campio = vechter; hieruit ons: kampioen, ’t Werkw. werd kampen en kempen; vgl. kemphaan. – Kamp bet. ook afgepaald weiland of bouwland, daar campus eveneens een afgepaald (strijd)veld was.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

kamp ‘strijd’ -> Deens kamp ‘strijd’ (uit Nederlands of Nederduits); Noors kamp ‘strijd, wedstrijd’ (uit Nederlands of Nederduits).

kamp ‘legerplaats’ -> Fries kamp ‘legerplaats’; Indonesisch kam ‘legerplaats; opleidingskamp’; Petjoh kamp ‘woonplaats voor bepaalde bevolkingsgroep’; Sranantongo kampu ‘hut; leger; bivakkeren; legerplaats’; Surinaams-Javaans kampu ‘hut; afdak’ .

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

kamp stuk land 0847 [Claes] <Latijn

kamp strijd 1240 [Bern.] <Latijn

kamp legerplaats 1573 [Plantijn] <Frans

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

1066. Kamp geven,

d.w.z. gewonnen geven, gewoonlijk met de ontkenning: geen kamp geven, niet toegeven, blijven bij hetgeen men gezegd heeft, geen krimp geven, het niet opgeven. In de 17de eeuw zeide men het kamp geven, zie o.a. Huygens VI, 48:

Daer is geen tuchten meer aen Jongh Volck hedensdaeghs;
Sij geven 't niet eens kamp, al valtmender met slaeghs.

Zoo ook in het Boere-krakeel, bl. 23 en 113 naast kamp geven (bl. 11) of den strijd kamp geven (V. Janus 3, 39); Ndl. Wdb. VII, 1155; Molema, 112 b: hij het 't kamp geven, hij heeft den strijd opgegeven; Nkr. II, 25 Dec. p. 5: De vijand gaf onmid'lijk kamp; Het Volk, 19 Febr. 1914, p. 1 k. 1: Maar de burgerij van de sleutelstad gaf geen kamp. Ten Doornk. Koolm. II, 166: kamp, gewonnen (od. verloren), überwunden, besiegt: hê wul de sake (oder sek) nêt kamp gäfen; Epkema, II, 231: op kampjen jaen. Met welk znw. kamp we hier te doen hebben is onzeker. Wellicht beteekent het strijdperk, krijt, en is de uitdr. te vergelijken met het veld ruimen (zie Ndl. Wdb. VII, 1155).

Naast deze uitdr. komt voor kamp zijn, gelijk zijn (Rusting, 518; fri. kamp wêze), kampop spelen, gelijkop spelen, dat we lezen bij Tuinman II, 147 en I, 38. Ook Halma en Sewel citeeren beide uitdrukkingen en verklaren kamp door gelijk, quitte, in welken zin dat woord reeds in de 17de eeuw voorkomt.De geestige werken van Aernout v. Overbeke, anno 1687, bl. 17: Daer meê zijn wij kamp. Volgens Franck-v. Wijk, bl. 289 heeft kamp de beteekenis onbeslist, quitte, gelijk ontleend aan een zin als het bleef kamp = het bleef een (onbesliste) strijd: vandaar kreeg kamp geven de algemeene beteekenis van het gewonnen geven, toegeven, de zaak onbeslist laten.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut