Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

kameraad - (makker, metgezel)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

kameraad zn. ‘makker, metgezel’
Vnnl. camerade, camarade ‘metgezel’ in een van mijn cameraden [1596; WNT mondelijk I], met mijn Camarade [1596; WNT nieuwigheid], cameraed [1612; WNT versch II], camerade ‘medesoldaat’ [1599; Kil.], camerade ‘echtgenoot, echtgenote’ [1621; WNT], kameraet ‘studiegenoot’ [1626; WNT], ook het verkleinwoord kameraedje bijv. in Tessel-schaedje, Kameraedje ‘Maria Tesselschade, vertrouwde vriendin’ [1623; WNT]; nnl. kameraad ook ‘bondgenoot, medestander’ [1909; WNT].
Ontleend aan Spaans camarada ‘metgezel’ [1592; Corominas], een betekenisontwikkeling uit ‘(gezelschap van) soldaten die samen eten en slapen’ [1555; Corominas], een collectiefafleiding van het zn. cámara ‘kamer’, ontwikkeld uit Laatlatijn camera ‘kamer’, zie → kamer. Dat de ontlening via het Frans zou zijn verlopen (NEW, EDale) is minder wrsch. Frans camarade ‘soldaat die het lot van anderen deelt, medesoldaat’ [1587; Rey], eerder al ‘gezelschap van soldaten’ [1571; Rey], had aanvankelijk vooral betrekking op soldaten (TLF), wat slecht rijmt met de vertrouwelijke contexten die al zo vroeg in het Nederlands verschijnen. Bovendien was de auteur van de twee oudste attestaties, J.H. van Linschoten, goed vertrouwd met het Spaans en het Portugees. Tenslotte waren de Spanjaarden aan het eind van de 16e eeuw in de Lage Landen meer aanwezig dan de Fransen.
Aan het eind van de 19e eeuw ontstond in socialistische en later ook in communistische kringen een internationale tendens om elkaar aan te spreken met kameraad (of het equivalent in andere talen, zoals Engels comrade, Russisch továrišč), om zo de klasseverschillen teniet te doen.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

kameraad [makker] {1599} < frans camarade < spaans camarada [zaalgenoot], van cámara [zaal, kamer] < laat-latijn camera, camara [kamer]; vgl. gezel, compagnon, kompaan, kompel, genoot.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

kameraad znw. m., sedert Kiliaen camerade < fra. camarade < spa. camarada ‘kameraadschap; bewoners van een kamer’ afgeleid van camara = lat. camera (zie: kamer).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

kameraad znw., sedert Kil.: camerade. Evenals nhd. kamerad m. en eng. comrade uit fr. camarade “kameraad”, een in verschillende rom. talen voorkomende afl. van lat. camera (zie kamer) (it. camerata, spa. camerada) met de oorspr. bet. “gezelschap van kamergenooten”. Vgl. voor de bet.-ontwikkeling borst II.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

kameraad m., gelijk Hgd. kamerad en Eng. comrade, uit Fr. camarade, van Sp. vr. camarada = het in een kamer vergaderde gezelschap, een afleid, van Sp. camara = kamer (z.d.w.).

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

kammeraot (zn.) vriend; Nuinederlands camerade <1596> < Frans camarade.

F. Debrabandere (2007), Zeeuws etymologisch woordenboek: de herkomst van de Zeeuwse woorden, Amsterdam

kammelot zn. m.: kameraad. Door wisseling van de liquidae r/l uit de dialectische uitspraak kameraod.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

kameraad ‘vriend’ (Frans camarade); ‘mede-communist’ (bet. van Russisch tovarišč)

C.H.Ph. Meijer (1919), Woorden en uitdrukkingen verklaard door Dr. C. H. Ph. Meijer, Amsterdam

Kameraad, makker, nog niet in ’t mnl.; het fra. camarade, uit spa. camerada, eig. het gezelschap van personen, die één kamer (spa. camara) bewonen, of er bijeenkomen; daarna een lid daarvan; vgl. een vroedschap, voor: een lid van de vroedschap.

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Kamer, van ’t Lat. camera = woonvertrek en dit van ’t Gr. kamara = gewelfde ruimte. – Het It. camarata, Sp. camarada, is eig.: gezelschap van hen, die dezelfde kamer bewonen, ongeveer: kamergenootschap; later ook: makker (ons kameraad). Ook kamenier (als kamerjuffer) is een afl. van kamer; Mnl. cameriere, later cameniere.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

kameraad ‘makker’ -> Indonesisch kambrat ‘makker; medeplichtige in misdrijf; vrolijk samenzijn’; Jakartaans-Maleis kambrat ‘makker’; Madoerees dialect kambrat ‘makker’; Negerhollands kamerad ‘makker’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

kameraad makker 1596 [WNT mondelijk I] <Frans

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal