Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

kamer - (ruimte in een gebouw; wetgevend lichaam)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

kamer zn. ‘ruimte in een gebouw; wetgevend lichaam’
Onl. in de samenstelling (fan) betekameren ‘(uit de) slaapkamer’ (letterlijk ‘bedkamer’) [10e eeuw; W.Ps.]; mnl. camere ‘kamer’ in [dar] sint hundirt cameren ‘daar zijn honderd kamers’ [1201-25; CG II, Floyr.], camere ‘kamer, eetkamer, voorraadkamer, toilet etc.’ [1240; Bern.], ook al ‘raadskamer’ [1272; CG I, 202]; nnl. kamer ‘wetgevend lichaam’ in Dit Lichaam verdeelt zig in twee Kamers, genaamd de Eerste Kamer en Tweede Kamer [1798; WNT].
Vroege ontlening aan Laatlatijn camera ‘kamer, vertrek’ (zie ook → camera), in het middeleeuws Latijn ook ‘rechtszaal, raadszaal’, beide als uitbreiding bij de klassieke betekenis ‘gewelf, overdekking’, ontleend aan Grieks kamára ‘huifwagen, gewelfde kamer’, waarvan de verdere herkomst onduidelijk is.
Evenzo ontleend zijn: os. kamara (mnd. kamere); ohd. kamara ‘vertrek, paleis, schatkamer’ (nhd. Kammer ‘kleine kamer, bijkamer’); ofri. kamer ‘kamer’ (nfri. keamer); on. kamarr ‘toilet, kamertje’ (nzw. kammare ‘kleine kamer’).
Het Griekse woord is misschien verwant met: Latijn camur(us) ‘gekromd’; Avestisch kamarā ‘gordel’.
Het woord moet tussen ca. 150 en 400 na Chr. ontleend zijn. De inheemse woonhuizen bestonden toen nog uit één → zaal, maar Romeinse villa's en woningen in Romeinse nederzettingen hadden wel aparte kamers. Wrsch. zijn deze, net als de → keuken, de → kelder en de → zolder, eerst overgenomen in de kloosters, die de Romeinse cultuur hadden voortgezet na de ineenstorting van het Romeinse Rijk, en in de kastelen, die de voortzetting waren van de Romeinse legerkampen. Aparte kamers deden pas op grote schaal hun intrede in woonhuizen vanaf de 14e eeuw.
Mnl. camere kwam in allerlei betekenissen voor, o.a. ‘gevangenis’, ‘schatkamer’, ‘schuurtje’, ‘woonhuisje’, ‘kelder’, ‘winkeltje’, ‘geheim gemak’ en ‘raadskamer, schepenvertrek’. De meeste hiervan zijn verouderd, maar de betekenis ‘raadskamer’ heeft zich nog lang in enkele samenstellingen gehandhaafd, zoals weeskamer en assurantiekamer, die beide zowel een vergaderruimte als het daarin vergaderende gezelschap aanduidden. Een modern relict van deze betekenis is ‘lichaam dat over staatsaangelegenheden vergadert’, in het NN de Eerste en Tweede Kamer en in het BN de Kamer van Volksvertegenwoordigers. Ook Kamer van Koophandel.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

kamer [vertrek] {camer(e) [gewelf, stookplaats, zoldering, kamer met stookplaats, gevangenis, raadkamer, slaapkamer] 1201-1225} < latijn camera, camara [gewelf, gewelfde zoldering o.a. van een kamer, me. lat.: kamer, vertrek] < grieks kamara [huifwagen, gewelfde kamer].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

kamer znw. v., mnl. cāmere ‘vertrek, schuur, woonhuis; benodigdheden aan kleding, maaltijden enz.; ameublement; kamer van een vuurwapen; afdeling van land of water, van een soort manschappen’ < lat. camera ‘gewelf, kamer’ < gr. kamára.

Met het metselen van stenen woningen kwam dit woord naar de Germanen, vgl. os. kamara, ohd. chamara ‘kamer’, owfri. kamer ‘kamer’, on. kamarr (uit mnd. of ofri.) ‘privaat’. — In de bet. ‘schutkolk van een sluis’ > russ. kámera, vgl. R. v. d. Meulen, Verh. AW Amsterdam 66, 2 (1959), 37.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

kamer znw., mnl. cāmere v. “vertrek (in verschillende speciale belt.), be-noodigdheden van een aanzienlijk persoon, ameublement, kamer van een vuurwapen, afdeeling”. Evenals ohd. chamara v. “vertrek, paleis, schatkamer” (nhd. kammer), os. kamera v. “kamer, schatkamer”, owfri. kamer v. “kamer”, on. kamarr m. “privaat” uit lat. camera “gewelf, kamer” (< gr. kamára, oorspr. karisch) of een rom. vorm hiervan: *camara, *camera.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

kamer v., Mnl. camere, gelijk Hgd. kammer en Fr. chambre, uit Lat. cameram (-a) = gewelf, kamer, Gr. kamára = gewelf; z. ham.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

ka’mer (de, -s), (ook:) 1. eenkamerwoning uit een kamerwoning*. In de kamer naast* en vast aan die van Amalia is Magti komen wonen (Hijlaard 98).-2. (i.h.b.:) slaapkamer. - Etym.: (1) In AN veroud. voor een rijtjeshuis van één kamer (WNT 1926). (2) In advertenties heeft k. soms alleen betrekking op de slaapkamers van een huis. De woonkamer wordt immers vaak zaal* o.i.d. genoemd.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

kamer ‘vertrek’ (Latijn camera); ‘deel van het parlement’ (Frans Chambre)

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Kamer, van ’t Lat. camera = woonvertrek en dit van ’t Gr. kamara = gewelfde ruimte. – Het It. camarata, Sp. camarada, is eig.: gezelschap van hen, die dezelfde kamer bewonen, ongeveer: kamergenootschap; later ook: makker (ons kameraad). Ook kamenier (als kamerjuffer) is een afl. van kamer; Mnl. cameriere, later cameniere.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

kamer ‘vertrek; ruimte in vuurwapen waarin buskruit komt te liggen’ -> Russisch kámera ‘vertrek; ruimte tussen twee sluisdeuren waar de kunstmatige beregeling van de waterhoogte plaatsvindt; (Bargoens) gevangeniscel’; Litouws kambarys ‘vertrek’ (uit Nederlands of Nederduits); Indonesisch kamar ‘vertrek; cabine; wooneenheid in appartementengebouw; ruimte in vuurwapen waarin buskruit komt te liggen’; Ambons-Maleis kàmar ‘vertrek’; Gimán kamar ‘vertrek, slaapkamer’; Javaans kamar ‘vertrek’; Kupang-Maleis kàmar ‘vertrek’; Letinees kamra ‘vertrek’; Madoerees kamar, kammar ‘vertrek’ (uit Nederlands of Portugees); Makassaars kâmará ‘kamer van een Europees huis; hut op Europees schip; schoollokaal’; Menadonees kàmar ‘vertrek’; Minangkabaus kamar ‘vertrek’; Muna kamara ‘vertrek’; Rotinees kama ‘vertrek’; Soendanees kamar ‘vertrek’; Ternataans-Maleis kàmar ‘vertrek’; Petjoh kamar ‘vertrek’ ; Singalees kāmara-ya, kāmarē ‘vertrek’ (uit Nederlands of Portugees); Negerhollands kamer, kāmbu, kambu ‘vertrek’; Berbice-Nederlands kambru ‘vertrek’; Papiaments kamber (ouder: kamer) ‘vertrek’ (uit Nederlands of Spaans); Sranantongo kamra ‘vertrek’; Aucaans kambaa ‘vertrek’; Saramakkaans kámba ‘vertrek’ ; Arowaks kambara ‘vertrek’; Sarnami kamrá ‘vertrek’; Surinaams-Javaans kamar ‘vertrek’; Creools-Engels (Maagdeneilanden) † kambu ‘vertrek’ .

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

kamer vertrek 1201-1225 [CG II1 Floyris] <Latijn

kamer wetgevend lichaam: Eerste, Tweede Kamer 1798 [WNT]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

1065. Kamers (of bovenkamers) te huur hebben.

Een schertsende uitdr. voor niet wel bij het hoofd zijn, dom zijn, niet pluis zijn in zijne bovenverdieping (eng.: in the attic or in the upper story); eig. een leeg hoofd hebben; Harreb. I, 347. Ook in het Engelsch zegt men to have apartments to let; in het fr. avoir des chambres à louer. Zie no. 337.

216. De bestekamer.

Deze sedert de 18de eeuw gebruikelijke benaming voor het geheim gemak (vgl. mnl. heimelicheit; fr. commodité, lieu d'aisance), het geriefke (17de eeuwHuyghens, Trijntje Cornelis (editie Eymael), vs. 352 (= Worp V, 61, vs. 352).) is geen verbastering van het mnl. basse camere, lat. camera bassa, ofr. chambre basse, eig. benedenkamer, maar een ironische benaming van wat men in de 17de eeuw ook ‘het kasteel van Poortugael’ of het saletVgl. Worp V, 56, 200: T siet hier wat slordighjes, en 't ruijckter wat na 't slett. noemdeZie het afdoende betoog van D.C. Hesseling in het Tijdschrift XVII, 292-297.. Als afkorting zegt men ook: de beste, evenals men vroeger sprak van stille (waarvan ons stilletje) en cleine voor stille of kleine kamer; vgl. ook het secreet (reeds in het Mnl. van het ofr. secret) en het privaat (reeds in het Mnl.Zie Mnl. Wdb. VII, 943; VI, 697.). Zie verder bij Tante Meyer.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut