Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

kameleon - (reptiel)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

kameleon zn. ‘reptiel’
Mnl. camelion ... is .1. serpent dat ... ‘de kameleon is een (soort) slang die ...’ [1287; CG II, Nat.Bl.D], cameleon [1477; MNW]; eerder wordt Latijn cameleon nog vertaald als ein dir ‘een dier’ [1240; Bern.]; nnl. overdrachtelijk ook cameleon ‘grillig, onbetrouwbaar mens’ [1821; WNT].
Ontleend, al dan niet via Frans caméléon ‘kameleon’ [12e eeuw; Rey], aan Latijn chamaeleōn ‘id.’, ontleend aan Grieks khamailéōn ‘id.’, letterlijk ‘grondleeuw’ en gevormd uit khamaí ‘op de grond’ (verwant met → humus en zie ook → bruidegom) en léōn ‘leeuw’, zie → leeuw. Het profiel van een kameleon lijkt enigszins op dat van een leeuw.
De overdrachtelijke betekenis is gebaseerd op de eigenschap van de kameleon om zich in kleur aan te passen aan de omgeving.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

kameleon [hagedis] {cameleon 1201-1250} < frans caméléon < latijn chamaeleonem, chamaeleontem, 4e nv. van chamaeleon < grieks chamaileōn, van chamai [op de grond], verwant met latijn humus [aarde, grond, bodem] (vgl. kamille) + leōn [leeuw], dus lett. ‘grondleeuw’, d.w.z. ‘kleine leeuw, dwergleeuw’.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

kameleon znw. o. m., mnl. cameleon, camelionte, gamaleon < fra. caméléon (sedert de 12de eeuw) < lat. chamaeleon < gr. chamai-léōn eig. ‘aard-leeuw’.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

kameleon’ (de, -s), marmerleguaan, een boomhagedis (Polychrus marmoratus), bij uitbr. naam voor alle (verkleurende) boomhagedissen (agama’s*). Nog vindt men hier drie soorten van kameleons, bij de Negers* agamma’s* geheeten () (Teenstra 1835 II: 438; oudste vindpl.). - Etym.: De overeenkomst met AN k. (Chameleo vulgaris, een reptiel uit de Oude Wereld) ligt i.h.b. in het verkleuren. Polychrus marmoratus is bij Ned. terrariumhouders bekend als ’Amerikaanse kameleon’.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

kameleon: “verkleurmannetjie, trapsoetjies/trapsuutjies” (spp. Chameleon, fam. Lacertidae); Ndl. kameleon (Mnl. cameleon/gamaleon), soos Eng. chameleon, uit Fr. cameleon uit Lat. chamaeleon uit Gr. χamaileōn (uit Gr. χamai, “op d. grond”, d.w.s. “klein”, + leōn, “leeu”, dus “grondleeutjie”).

Thematische woordenboeken

M. De Coster (2007), Groot scheldwoordenboek: van apenkont tot zweefteef, Antwerpen

kameleon: iemand die vaak van mening verandert; onstandvastig, onbetrouwbaar persoon. Meestal in toepassing op politici. Eigenlijk: een op een boom levende, kleine hagedis, die bij gevaar snel van kleur verandert. Voetballer Jan de Natris (1895-1972) werd destijds met deze bijnaam vereerd omdat hij even vaak van club wisselde als een kameleon van kleur.

Boulanger is voortaan een Bonapartist met het verleden van een politieken kameleon. (De Groene Amsterdammer, 12/08/1888)
Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

kameleon ‘hagedis’ -> Japans kamereon ‘hagedis’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

kameleon hagedis 1240 [Bern.] <Frans

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut