Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

kam - (getand gereedschap; uitwas op kop van hoenders)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

kam zn. ‘getand gereedschap; uitwas op kop van hoenders’
Mnl. cam ‘haarkam’, camp ‘kam van een dier’ [1240; Bern.], daarna cam, camme voor beide betekenissen, behalve nog eenmaal [de fenix heeft] een camp op siin hooft [1462; MNW].
Met assimilatie gevormd uit ouder *camb, uitspraak /kamp/, dat alleen nog in de vindplaatsen uit 1240 en 1462 te herkennen is.
Os. camb (mnd. kam); ohd. camb (nhd. Kamm); ofri. kombu [8e eeuw; CG II-1, 15], kambu [9e eeuw; CG II-1, 17] (nfri. kaam); oe. camb, comb (ne. comb); on. kambr (nzw. kamm); < pgm. *kamba-.
Verwant met: Grieks gómphos ‘houten pin’, gomphíos ‘kies’; Sanskrit jámbha- ‘tand’; Litouws žambas ‘scherpe rand’; Oudkerkslavisch zǫbŭ ‘tand’ (Russisch zub, Pools ząb); Albanees dhëmb ‘tand’; Tochaars A kam, Tochaars B keme ‘tand’; bij de wortel pie. *ǵombh- (IEW 369).
Bij uitbreiding wordt het woord ook gebruikt voor andere zaken die op een kam lijken, bijv. de kam op de kop van een haan, en in bergkam.
kammen ww. ‘met een kam ordenen’. Mnl. kemben [1240; Bern.], meestal met assimilatie kemmen zoals in wat camme daer men te Mechelen mede kemmen sal [1333; Stall. II]; vnnl. kammen, kemmen [1599; Kil.]. De vorm kammen is een nieuwe afleiding van het zn., dat in de plaats is gekomen van mnl. kemmen < kemben, dat met umlaut is ontwikkeld uit pgm. *kambjan- en nog tot in de 17e eeuw voorkomt.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

kam* [gereedschap om haar te ontwarren of bijeen te houden] {cam(me), camb 1201-1250} runenfries kombu, oudsaksisch kamb, oudhoogduits chamb, oudengels comb, camb, oudnoors kambr; buiten het germ. latijn gemma (vgl. gemme), grieks gomphos [houten pin, tand], litouws žambas [scherpe kant], albaans demp [tand], oudindisch jambha- [tand]. In de uitdrukking over één kam scheren betekent kam ‘weverskam’, die van grof tot fijn wordt gekozen, afhankelijk van de te weven stof.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

kam znw. m., mnl. cam, dial. camp, camb, os. kamb, ohd. chamb, oe. comb, on. kambr. — > fra. came ‘soort tand in een balk van een werktuig om een stampblok op te tillen’ (vgl. Valkhoff 84). — gr. gómphos ‘kies, pin, spijker’, oi. jambha-, osl. ząbŭ, lett. zùobs ‘tand’, lit. žam͂bas ‘rand van een balk’, toch. A kam, Β keme- ‘tand’.

Men gaat van een idg. wt. *gembh ‘bijten’ uit (IEW 369), vgl. oi. jambhayati ‘verbrijzelt’, osl. zębo ‘stukscheuren’, lit. žembiù ‘stuksnijden’. Deze betekenissen zullen echter eerder van *ĝombhos ‘tand’ afgeleid zijn. Let men op de bet. ‘pin, spijker’, dan kan men eerder denken aan een nasaalinfix bij de wt. *ĝebh ‘tak, stuk hout’, waarvoor zie: kavel. Misschien mag men dan verder vergelijken lit. žémbu, žémbėti, osl. pro-zębati ‘kiemen’, lat. gemma (< *ĝhembhna-) ‘bladknop’ (die IEW 369 verklaren wil als ‘gelijk een tandje uitbrekende plantenknop’). Men komt dan dus tot een begrip van ‘deel van een plant’, waaruit zich de andere laten afleiden.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

kam znw., mnl. cam (camm; dial. camp, -b-, nog limb.) m. (v.). = ohd. chamb (nhd. kamm), os. kamb, ags. comb (eng. comb), on. kambr m. “kam”. Oorspr. bet. “getand voorwerp”. Germ. *kamƀa- < idg. * ĝhombo- = gr. gómphos “houten nagel” (gomphíos “kies”), obg. ząbŭ “tand”, lit. żam͂bas “kant van een balk”, alb. δemb, oi. jambha- “tand”, waarbij nog arm. camem “ik kauw”. Met ablaut zw. dial. kim o. “hanekam” (zie verder kim), obg. zębą “ik verscheur”, oi. jambh-, jabh- “happen”, waarbij jambháyati “hij verbrijzelt”. De verdere combinatie met ĝebh- (zie kever) is aannemelijk. Minder wsch. is die van kam en een deel der andere opgesomde woorden met lat. gemma “knop of oog aan boomen”, obg. zębną lit. żémbu “ik kiem”, alb. δemb “het doet me pijn”.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

kam m., Mnl. cam, Os. kamb + Ohd. kamb (Mhd. kam, Nhd. kamm), Ags. comb (Eng. id.), On. kambr (Zw. en De. kam) + Skr. jambhas = slagtand, Gr. gómphos = tand, pin, Alb. demb, Osl. zabŭ = tand, Lett. zambas = kant.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

kamp (zn.) kam; Vreugmiddelnederlands cam <1240>.

G.J. van Wyk (2007), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Supplement, Stellenbosch

1kam s.nw.
1. Smal werktuig met tande om die hare mee netjies te maak of in toom te hou. 2. Uitgroeisel op sommige voëls se koppe. 3. Bo- of sykant van 'n rat van 'n masjien. 4. Lyn wat die kruine van 'n bergreeks verbind. 5. Regop houtjie onder die snare van 'n strykinstrument.
Uit Ndl. kam (al Mnl. in bet. 1, 1626 in bet. 2, 1740 in bet. 3, ongeveer 1885 in bet. 4, 1881 - 1885 in bet. 5), in bet. 2, 3, 4 en 5 so genoem omdat die voorwerp of verskynsel 'n getande voorkoms het wat op die een of ander manier aan 'n kam (1kam 1) herinner. Eerste optekening in Afr. in bet. 1 en 4 in Patriotwoordeboek (1902).
D. Kamm (in bet. 1 en 4).
Vgl. Eng. comb (in bet. 1).

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

kam I: toiletartikel en dgl. voorwerpe; Ndl. kam (Mnl. cam, dial. camb/camp), Hd. kamm, Eng. comb, hou wsk. verb. m. Gr. gomphos, “spyker”, en m. Oind. jambha-, “tand”; vgl. verder WAT s.v. kam1.

kammetjie: dim. v. kam I (q.v.).

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Kam, bet. oorspr. een getand voorwerp; vgl. ook bergkam, kamrad.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

kam ‘gereedschap om haar te ontwarren of bijeen te houden; tandwiel’ -> Engels cam ‘nok; tand van een tandwiel’; Ests kamm ‘gereedschap om haar te ontwarren of bijeen te houden’ (uit Nederlands of Duits); Frans came ‘tandwiel’; Italiaans camma ‘tandwiel’ ; Maltees kam ‘draaiende schijf of wiel met uitsteeksel dat een mechanisme bedient’ ; Esperanto kamo ‘draaiende schijf of wiel met uitsteeksel dat een mechanisme bedient’ ; Arabisch (MSA) ʽcamūd al-kāma ‘nokkenas’; Noord-Sotho kamo ‘gereedschap om haar te ontwarren of bijeen te houden’ ; Tswana kamô ‘gereedschap om haar te ontwarren of bijeen te houden’ ; Zoeloe kamu ‘gereedschap om haar te ontwarren of bijeen te houden’ ; Zuid-Sotho kamo ‘gereedschap om haar te ontwarren of bijeen te houden’ ; Shona kamu ‘gereedschap om haar te ontwarren of bijeen te houden’ ; Indonesisch kam ‘gereedschap om haar te ontwarren of bijeen te houden; vioolkam’; Menadonees kam ‘vliegertouw; plaats waar het vliegertouw is bevestigd’; Negerhollands kam ‘gereedschap om haar te ontwarren of bijeen te houden’; Berbice-Nederlands kam ‘gereedschap om haar te ontwarren of bijeen te houden’; Skepi-Nederlands kam ‘gereedschap om haar te ontwarren of bijeen te houden’; Sranantongo kankan (ouder: kam(kamm)) ‘gereedschap om haar te ontwarren of bijeen te houden’; Aucaans kankan ‘gereedschap om haar te ontwarren of bijeen te houden’ ; Saramakkaans kán ‘gereedschap om haar te ontwarren of bijeen te houden’ .

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

kam* gereedschap om haar te ontwarren of bijeen te houden 1240 [Bern.]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

889. Iemand over den hekel halen (of iemand hekelen

d.w.z. iemand scherp berispen; ook: hem belasteren, kwaadspreken van iemand, ‘iemand bij 't gat omhalen’. Eig. gezegd van vlas of hennep, dat ter zuivering over of door een hekel, een van opstaande draadspitsen voorzien werktuig, gehaald wordt. Vandaar in figuurlijken zin: iemand flink onder handen nemen, hem het kwade, het slechte op scherpe wijze onder het oog brengen, of in 't geheim, achter zijn' rug van hem vertellen. Vgl. bij Campen, 118: Ghy haelt hem vast over die heeckel; Pers, 670 a; Poirters, Mask. 167 gebruikt: door een hekel trekken, en in de voorrede: op 't hekel-bert streelen. In Zuid-Nederland iemand door de hekel halen of trekken (vgl. onze uitdr. iemand doorhalen; Zuidnederl. deurtrekken), dat ook aangetroffen wordt in Van Effen's Spect. IX, 99 en in Willem Leevend IV, 87Bij Brandt, Leven v. Vondel, 72: Met een ruwe hekel overhalen.. Vgl. verder Ndl. Wdb. V, 1587; VI, 492; Gunnink, 125; op Goerée en Overflakkee: iem. over de hor halen (in N. Taalg. XIII, 131); De Cock1, 220; Harreb. I, 299 a; Waasch Idiot. 283 b; het hd. einen durch die Hechel (oder die Bank) ziehen (oder ihn durchhecheln, hekelen); eng. to heckle; schotsch: to come o'er the heckle-pins; het fri. immen oer 'e hikkel helje of oerhikkelje naast immen eidsje (= eggen); en het Transvaalsche iemand o'er die knukels haal (Onze Volkstaal III, 139). In Groningen iemand over de repel, over de kam hoalen (Molema, 344 b). (Aanv.) In Zuid-Nederland ook in den zin van iemand afranselen, hem in 't spel doen verliezen (Teirl II, 25); ook iemand afhekelen, afranselen, hard bekijven, foppen, veel doen verliezen (Waasch Idiot. 777; Teirl. 24).),

1064. Over éen (of denzelfden) kam scheren,

d.w.z. op dezelfde wijze behandelen; geen onderscheid maken tusschen den een en den ander; eene spreekwijze ontleend aan de weverij, zoodat kam hier weverskam beteekent, die breed en fijn is, naar gelang het stuk, dat men weeft, breed en fijn is; eig. wil de uitdr. derhalve zeggen: de draden spannen (scheren) over denzelfden kam, en daarna bij overdracht: iets op dezelfde wijze behandelen, gelijk beoordeelen.Anderen denken aan den haarkam of den wolkam, waarop het haar genomen wordt, waardoor het snijden gelijkmatig kon geschieden. Zie Mnl. Wdb. III, 1135; Ndl. Wdb. VII, 1040; XI, 243; Grimm, V, 102; Halma, 253 en 561. Vgl. Campen, 133: Hy scheertste al te saemen over eenen cam; Hooft, Ned. Hist. 215; 291; in de 17de eeuw ook op denzelfden kam scheren (o.a. bij Hondius, Mouf. 141; 338; Poirters, Mask. 146) en iemand op eenen anderen kam zetten, iemand anders behandelen (Coster, 30, vs. 598); fri. alles oer ien kaem kjimme naast alles oer ien line lûke (over éen lijn trekken). Vergelijk hiermede Joos, 78: ze zijn op eenen kam geschoren; De Bo, 485; Waasch Idiot. 322 a; Antw. Idiot. 614: zij zijn in (op of door) denzelfden kam geschoren, d.i. zij verkeeren in denzelfden toestand of hebben hetzelfde karakter; in eenen aardigen kam geschoren zijn, in een vreemden, moeilijken toestand zijn; hd. alles über einen Kamm scheren, über einen Leisten schlagen (op dezelfde leest schoeien); nd. alles over ên Kamm scheren (Eckart, 244); eng. to weave all pieces on the same loom, uitdrukkingen, die in beteekenis overeenkomen met de vroegere met éen kwast of kwispel overstrijken (Van Effen, Spect. XI, 45; De Brune, Embl. 308); over denzelfden stok water doen dragen (Marnix, Byenc. (ed. 1640), 4 b; De Brune, Embl. 256) en met denzelfden boender schrobben (Com. Vet. 71Door contaminatie van over één kam scheren en over één boeg liggen of zeilen is ontstaan alles over êén boeg scheren, dat voorkomt in De Arbeid, 15 April 1914, p. 4 k. 3: Het spijt mij dat de schrijver alles over één boeg scheert; .... Als het waar is dat alles over één boeg geschoren moet worden, enz.; ze allemaal in één mand spittenN. Taalgids XI, 305..

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut